Meer over Kerkvoogd

Aansprakelijkheid van bestuurders

Indien het kerkbestuur haar taak niet naar behoren vervult, kan iedere individuele bestuurder daarvoor persoonlijk aansprakelijk worden gesteld door het kerkelijk orgaan waarvan hij deel uitmaakt én door anderen die als gevolg daarvan schade hebben geleden. De verschillende aspecten worden hierna kort uitgewerkt

Collegiale verantwoordelijkheid
Omdat kerkbestuurders met elkaar verantwoordelijk zijn voor een behoorlijke vervulling van de bestuurstaken is men in beginsel ook gezamenlijk verantwoordelijk voor de eventuele schade ten gevolge van onbehoorlijk bestuur. 

De tekst in ordinantie 16, artikel 11 m.b.t. tot deze gezamenlijke verantwoordelijkheid voor schade luidt als volgt: De beheerders zijn - behoudens persoonlijke disculpatie - gezamenlijk verantwoordelijk voor schade, voortvloeiende uit achteloosheid, verzuim of kwade trouw, onverminderd ieders aansprakelijkheid naar burgerlijk recht.
Men is gezamenlijk verantwoordelijk. Indien het onbehoorlijk bestuur te wijten is aan een individueel lid van het bestuur, kunnen andere bestuurders alleen een beroep doen op disculpatie indien zij aantonen dat hen voor het onbehoorlijk bestuur geen enkel verwijt valt te maken. Ingeval van onvoldoende toezicht, zal een beroep op persoonlijke disculpatie niet slagen. 
Persoonlijke disculpatie wil zeggen dat een bestuurslid kan aantonen dat het onbehoorlijk bestuur niet aan hem te wijten is (ontbreken van schuld) en dat hij niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de negatieve gevolgen van het onbehoorlijk bestuur of onbehoorlijke taakvervulling te voorkomen. 

Interne aansprakelijkheid 
Het bestuur dat zich naar beste vermogen inzet ten behoeve van de kerkelijke rechtspersoon en zich aan de kerkelijke voorschriften en regelingen houdt, loopt weinig risico persoonlijk of gezamenlijk aansprakelijk te worden gesteld door de rechtspersoon die men vertegenwoordigd. 

In het burgerlijk recht geldt het uitgangspunt dat een bestuurder geen risico’s mag nemen die geen enkel redelijk denkend en handelend bestuurder in dezelfde omstandigheden zou hebben genomen. Daarnaast dienen de bestuurders te handelen binnen de doelstellingen van de rechtspersoon en binnen de aan het toegekende bevoegdheden. Deze uitgangspunten gelden ook intern binnen de kerk, nu op dit onderdeel in of bij de kerkorde geen afwijkende regeling is getroffen.
Ook bij de interne aansprakelijkheid geldt het uitgangspunt van de collegiale verantwoordelijkheid. Bestuurders dienen dus ook toezicht te houden op hun medebestuurders. 

Externe aansprakelijkheid 
Het principe is dat de kerkelijke rechtspersoon (bijvoorbeeld de kerkelijk gemeente of een diaconie) zelf aansprakelijk is voor al haar daden en dat niet de bestuurders persoonlijk aansprakelijk zijn. Bestuurders lopen pas risico wanneer sprake is van onbehoorlijk bestuur of onrechtmatig handelen.

Tegenover derden kan een persoonlijke aansprakelijkheid niet worden afgewend door te verwijzen naar de interne kerkelijke regelingen. Een derde partij zal een persoonlijke aansprakelijkstelling van een kerkbestuurder moeten baseren op het burgerlijk recht. Daarbij geldt  eveneens het uitgangspunt dat het hele bestuur verantwoordelijk is voor het beleid en de gang van zaken. 
Voor persoonlijke aansprakelijkheid kan aanleiding bestaan indien de bestuurder namens de rechtspersoon verplichtingen is aangegaan terwijl hij wist of behoorde te begrijpen dat de rechtspersoon niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden, en in de gevallen waarin het handelen van de bestuurder ten opzichte van de derde zodanig onzorgvuldig is dat hem daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt.

Samenvatting 
Onder andere door het nemen van de volgende maatregelen kan een college van kerkvoogden het risico op aansprakelijkheidstelling beperken:
1. Kennis nemen van, en handelen naar de kerkordelijke bepalingen. Denk hierbij in het bijzonder aan ordinantie 16 (ordinantie voor de kerkelijke financiën en goederen).
2. Men dient zich te houden aan de bepalingen van de plaatselijke regeling(en) of het plaatselijk reglement.
3. Door het tijdig opstellen van een begroting en jaarrekening en deze te laten controleren en laten vaststellen en definitief goedkeuren door de toezichthouders (de kerkenraad of het college van notabelen).
4. Handel binnen bevoegdheden en het gestelde mandaat. 
5. Maak een duidelijke taak- en functieverdeling maar blijf doordrongen van de gezamenlijke verantwoordelijkheid. 
6. Stel notulen op (en vast) van de vergaderingen, inclusief een besluiten- en actielijst. En controleer dit.
7. Leg afspraken met derden schriftelijk vast.
8. Onderneem actie wanneer één of meerdere mede kerkvoogd(en) een steekje la(a)ten vallen. Houd toezicht op elkaar en controleer regelmatig de administratie. 
9. En sluit, wanneer hier geen principiële bezwaren tegen bestaan, een  bestuurdersaansprakelijkheidsverzekering af. 

Het is zeker niet nodig om het risico van bestuurdersaansprakelijkheid te overschatten, maar neem ook hierin uw verantwoordelijkheid!

  • © hersteld hervormde kerk 2017

Ontwerp en realisatie:

Heeft u vragen over het geloof?

Open Sluit