mannenbond

Welkom

Mij dorst

De Samaritaanse verwonderde zich daarover, en spreekt dat ook uit: ´Hoe begeert Gij, die een Jood zijt, van mij te drinken, die een Samaritaanse vrouw ben?´ De Heere Jezus verklaart Zich op die vraag aldus: ´Indien gij de gave Gods kende, en Wie Hij is, Die tot u zegt: Geef Mij te drinken, zo zoudt gij van Hem hebben begeerd, en Hij zoude u levend water gegeven hebben.´ Daar begreep de vrouw niets van, en menigeen onder ons evenmin. Misschien vraagt zij, ook in onze naam: ´Heere! Gij hebt niet, om mede te putten en de put is diep; vanwaar hebt Gij dan het levende water? Zijt Gij meerder dan onze vader Jakob, die ons de put gegeven heeft? en hij zelf heeft daaruit gedronken, en zijn kinderen, en zijn vee.´

Ook wij hebben het antwoord van de Heere Jezus nodig, dat Hij geeft aan de Samaritaanse, om te verstaan het kruiswoord ´Mij dorst´, door welk dorsten Hij heeft verworven het levende water. Hij is de ware Jakobsbron, waarvan deze diepe put maar een zwakke afschaduwing is. Hij is dat levende water, dat Hij aldus aanprijst aan alle dorstigen: ´Een ieder, die van dit water drinkt, zal wederom dorsten; maar, zo wie gedronken zal hebben van het water, dat Ik hem geven zal, die zal in eeuwigheid niet dorsten; maar het water, dat Ik hem zal geven, zal in hem worden tot een fontein van water, springende tot in het eeuwige leven.´

De vrouw, die wel onder de indruk kwam van de grootheid en de majesteit van de Heere Jezus, begon te geloven onder de bearbeiding van de Heilige Geest: ´Hij is de Messias.´ Ze begreep echter de woorden van de Heiland over het levende water nog niet ten volle. Zij dacht, evenals de discipelen, nog te veel aan uitwendige zegeningen, die de vrucht zouden zijn van de komst van de Messias. Vandaar, dat zij vroeg: ´Heere! geef mij dat water, opdat mij niet dorste, en ik hier niet moet komen, om te putten.´ Daarom openbaarde de Heere Jezus Zich nog verder en op een andere wijze, nl. in Zijn alwetendheid, door te zeggen: ´Ga heen, roep uw man en kom hier´ en door Zich aan haar te openbaren als de beloofde en gekomen Messias, Die, zoals de vrouw geloofde, zou komen om ons alle dingen te verkondigen. De Heere Jezus verkondigde haar, na de voorbereiding, die vooraf was gegaan, met deze woorden Zijn Messiasambt: ´Ik ben het, Die met u spreek.´

Dan is de vrouw zó onder de indruk van dit woord, gesproken met macht, dat wij van haar lezen: ´Zo verliet de vrouw dan haar watervat en ging heen in de stad en zeide tot de lieden: Komt, ziet een mens, Die mij gezegd heeft alles, wat ik gedaan heb; is Deze niet de Christus?´ En wij weten, dat de vrucht van dit alles, door de genade en het alvermogen des Heeren, mocht zijn, dat velen van de Samaritanen in Christus geloofden, en daarvan ook getuigden door tot de Samaritaanse vrouw te zeggen: ´Wij geloven niet meer om uws zeggens wil; want wij zelve hebben Hem gehoord, en weten, dat Deze waarlijk is de Christus, de Zaligmaker der wereld´ (Joh. 4).

De Samaritaanse vrouw, en velen van de Samaritanen, geloofden in de Heere Jezus Christus met een hartelijk vertrouwen: ‘Hij is gekomen, niet alleen voor anderen, maar ook voor mij.’ Zij hebben Hem ontvangen en leren kennen als de Gave Gods. En zij hebben gedronken van dat levende water, dat Hij geven kan en geeft, doordat Hij daarna als de lijdende Verlosser heeft uitgeroepen: Mij dorst. Zo is Hij geworden de Rotssteen, geslagen door de roede van Gods toorn. Hij is het, van Wie geschreven staat: De Steenrots, Die volgde, was Christus. ´Hij is het, van Wie ook opgetekend staat: ‘Hij opende een steenrots, en er vloeiden wateren uit, die gingen door de dorre plaatsen, als een rivier´ (Psalm 105 : 41).

Wonen wij ook, door de ontdekkende kracht van de Heilige Geest, in die dorre plaatsen van zonde, schuld en ellende, waarin wij het niet uit kunnen houden? Is het water uit de Steenrots, geslagen met de Roede van Gods toorn, blijkens Jezus´: ´Mij dorst´, alreeds tot in onze dorre plaatsen gekomen, als een rivier? En hebben wij, als dorstigen. in het geloof reeds mogen drinken uit die rivier, waarvan geschreven staat: ´De rivier Gods is vol water´?

Hier op aarde is voor de strijdende Kerk al veel verworven, door Hem, Die aan het kruis heeft uitgeroepen: Mij dorst. ´En een grote genade is het van die wateren des levens als een dorstige te mogen drinken. Wij lezen er van in Jesaja 12: En gijlieden zult water scheppen met vreugde uit de fonteinen des heils.’ En wederom: Hunne ziel zal zijn als een gewaterde hof.´ Een enkele droppel is voorde moede al zo onnoemelijk veel waard. Wat is het niet, als wij iets mogen ervaren van wat de Heere Jezus Christus in dit opzicht is voor Zijn amechtige schapen en lammeren, naar dit woord: Hij zal nederdalen als een regen op het nagras, als droppelen, die de aarde bevochtigen´ (Psalm 72:6).

Doch! de rijkste vrucht van het: ‘Mij dorst’, van dit ´nedergedaald ter helle´, zal worden genoten in het Kanaän der ruste, een land vloeiende van melk en honing, dat in de hemel is. Hier is het telkens na een Elim met 12 waterfonteinen en 70 palmbomen, een voorttrekken door de woestijn. Hier verlaten wij telkens in grote ontrouw de Springader des levenden waters, om onszelf bakken uit te houwen, gebroken bakken, die geen water houden. Och, wat al wederkeren tot dwaasheid, mijn medepelgrim! Eens echter zal dat een einde hebben. De woestijn ligt achter, en blijft achter. Kanaän is bereikt door de doods Jordaan heen. Dan gaat in nooit gedachte vervulling de belofte uit de Openbaring: ´Zij zullen niet meer hongeren, en zullen niet meer dorsten, en de zon zal op hen niet vallen, noch enige hitte. Want het Lam, dat in het midden des troons is, zal hen weiden en zal hun een Leidsman zijn tot levende fonteinen der wateren; en God zal alle tranen van hun ogen afwissen.´

Wijlen ds. S. van Dorp

Toogdag 2019 | 19-10-2019

bekijk alle albums
  • © hersteld hervormde kerk 2019