mannenbond

Welkom

Gasten en vreemdelingen op aarde

Deze allen zijn in het geloof gestorven, de beloften niet verkregen hebbende, maar hebben dezelve van verre gezien en geloofd en omhelsd, en hebben beleden, dat zij gasten en vreemdelingen op de aarde waren. Want die zulke dingen zeggen, tonen klaarlijk, dat zij een vaderland zoeken. En, indien zij aan dat vaderland gedacht hadden, van hetwelk zij uitgegaan waren, zij zouden tijd gehad hebben om weder te keren; maar nu zijn zij begerig naar een beter, dat is naar het hemelse. Daarom schaamt Zich God hunner niet om hun God genaamd te worden: want Hij had hun een stad bereid.

Zij hebben beleden, dat zij gasten en vreemdelingen waren op aarde. Daarom schaamt de Heere zich niet hun God genaamd te worden. Ze gevoelden zich hier niet thuis. Abraham bouwde nooit een huis. Izaäk woonde steeds in tenten. En David beleed: Ik ben een gast en vreemdeling bij U gelijk alle mijne vaders. Toen Jezus kwam, werd Hij als een vreemde behandeld en zij zeiden: deze is de erfgenaam, kom aan, laat ons Hem doden en de erfenis aan ons behouden. Zij zoeken hun eigen geboortegrond, van boven geboren, uit God. Daarom schaamt God zich niet hun God genaamd te worden. Zij hadden tijd om weder te keren. Maar zij hebben niet gewild. Tot wien zullen wij heengaan, Gij hebt de woorden des eeuwigen levens. Die den Vader aanbidden, moeten Hem aanbidden in geest en waarheid en de Vader zoekt ook dezulken, die Hem alzo aanbidden. Ze zijn allen wel gestorven en begraven, maar God is een God der levenden en niet der doden, want zij leven Hem allen. Zij hebben het beter vaderland bereikt in geloof trekkend door de doodsrivier. Die God, die dat alles in hen werkte, toont zich hunner niet te schamen. Hoe Hij dat toont? Hij had hun een stad bereid.

Dit is toch wel het klaarste bewijs, dat Hij zich hunner niet schaamt, om God genaamd te worden, want Hij bouwt een stad voor deze vreemdelingen om eeuwig met hen samen te wonen. Ze verwachtten de stad, die fundamenten heeft, welker Kunstenaar en Bouwmeester God is. Hij ontvangt ze Thuis. Alles is gereed om hen te ontvangen. De hemel is een land... een Huis ...een stad. De plaats der vele duizenden heiligen en der geesten van de volmaakt rechtvaardigen. Dit is de plaats der gemeenschap. De straten worden ons getekend als van goud en de poorten van parelen. Zij behoeft het licht der zon, noch der maan, want de Heere God heeft haar verlicht en het Lam is hare kaars. De volken brengen hunne eer en heerlijkheid in dezelve.
De geschiedenis der mensheid vangt aan met een hof, het paradijs. Daarin werd de mens gesteld om dien te bebouwen en te bewaren. Vanuit dat paradijs had zich moeten ontwikkelen, in den weg der gehoorzaamheid des mensen, de eeuwige heilsstaat. Maar deze hof verdween van de aarde door den zondeval en de stad deed zijn intree door Kains bouwlust. In die stad zien we het kunnen van den mens; het zinnebeeld en de uitdrukking tevens van zijn cultuur. Maar deze stad wordt verbrand. Babylon is gevallen, die grootte stad, zoo lezen we in de Openbaringen van Johannes. Maar toch zal de stad zegevieren, want de stad is het einde van der wereld wegen. De hof had veel vruchten, maar weinig eters, doch de stad telt vele bewoners en... ja overvloedige vruchten, want de hof ligt nu in de stad. Deze stad wordt niet onderhouden door de vruchten van het land, want de hof ligt in de stad. De stad is vol van vrucht. Er is immers een rivier des levens in de stad en zeer veel spijsgeboomte. Rivier en geboomte zijn samen den hof. Zijn de trekken van de tekening door Johannes niet ontleend aan de beschrijving van den paradijs hof in den morgenstond der schepping geformeerd? En we beseffen, dat de helft van de weelde en het genot van dezen hof ons niet aangezegd is door deze symbolische tekening, zelfs al zouden wij haar woord kunnen naderen met de volkomen kennis van den hof aan het begin der historie. Nu zijn alle dingen hersteld. Want Hij had hun ene stad bereid. Zij woonden in tenten, maar gingen naar de stad. In die stad is geen tempel te zien als afzonderlijk gebouw, want de gansche stad is tempel. De Heere God is hun Tempel en zij zijn Gods Tempel, waarin de Heere woont. Machtige werkelijkheid!
Daar zijn de zangers aan de glazen zee, spelende op hunne citers. Daar stijgt de wierook der aanbidding omhoog. De stad zal eenmaal vredig liggen temidden der schepping, want het nieuwe Jeruzalem daalt ten jongsten dage neder van God uit den hemel. De poorten staan open. Het rijk van den eeuwigen vrede is daar. De Geest en de Bruid zeggen: Komt. Naar dien dag verlangt ook de stadsbewoner hierboven. De vaderen zijn reeds vele eeuwen in de stad. Als alle bewoners zijn verzameld, zal Hij hare volmaking verkrijgen en dan is de stad gereed om neer te dalen op de aarde en zij ligt daar als een kubus, lengte en breedte en hoogte zijn gelijk (Openb. 21 : 16). De eeuwige vrede heerst. Maar, de stad verderf met hare werken wordt verbrand. Hoe is zij in een ogenblik verwoest. Kunt ook gij met de vaderen zeggen: Wij hebben hier geen blijvende stad, maar zoeken de toekomende? De vaderen gingen in door de poorten in de stad, want niet alleen de stad was hun bereid, maar ook de ingang in die stad stond voor hen open.

Zij zijn Thuis in het vaderland. God drieenig zal hun eeuwig Zijn volle gunst betonen. Zij zullen niet meer hongeren noch dorsten. De zon zal op hen niet vallen, noch enige hitte. De tranen zijn van hunne ogen afgewist.
Weer waakt het heimwee op. Ik verlang naar Huis, mijn verlangen wordt tot pijn. Straks ben ik binnen. Nog een kleine tijd.

Wijlen ds. I. Kievit

  • © hersteld hervormde kerk 2019