mannenbond

Welkom

De hemelvaart

Christus gaat in de heerlijkheid

‘En het geschiedde, als Hij hen zegende, dat Hij van hen scheidde, en werd opgenomen in de hemel.’

Onder dat zegenen is het gebeurd. Nadat Hij ze gezegend had, is het gebeurd. Gelooft mij, dat de zegen niet voor de helft gebracht is. Als Hij gesproken heeft, weest er zeker van, dat de laatste woorden niet in de lucht verstoven zijn. Als de Heere de Zijnen een zegen geeft, dan is dat vast geen halve zegen. Wel, zegt het iets, dat Hij zegenend heengaat. Als Hij op de drempel van de heerlijkheid zegent, dan zal Hij voorzeker in die heerlijkheid het zegenen voortzetten en dat gezien Zijn verheerlijkte staat in nog groter mate. Daar spreken de Schriften duidelijk van. ‘Gij zijt opgevaren in de hoogte; Gij hebt de gevangenis gevankelijk gevoerd. Gij hebt gaven genomen, om uit te delen, onder de mensen, ja ook de wederhorigen, om bij U te wonen, o Heere God.’ Psalm 68 : 19. En de gaven zijn de persoon van de Heilige Geest en al Zijn gaven. Hij gaat daarna een nog veel verheerlijker staat innemen, n.l. als Hij verhoogd wordt, uitermate verhoogd, als Hem namelijk een naam gegeven wordt boven alle naam, opdat in de naam van Jezus alle knie zich zal buigen van degenen, die in de hemel en die op de aarde zijn en opdat alle tong Zijn naam belijden zou. Tot wat grote eer is Hij gekomen, dat Hij verhoogd is boven alle macht en kracht en boven alle heerschappij. Rekent erop, dat Hem alle macht gegeven is in hemel en op aarde. Daar kan de kerk, daar kan Zijn volk zeker van zijn; daar kan de kerk, daar kan ook Zijn volk gerust op wezen. Geen macht in de hel en op de aarde kan daar tegenop. De grootste eer en heerlijkheid voor Jezus vind ik echter, dat Hij nu gezeten is ten rechterhand des Vaders, ten rechterhand der kracht Gods.

Dat is Zijn eer. Dat is de dank des Vaders voor dit grote werk, dat Hij 's Vaders eer gered heeft, dat Hij aan 's Vaders recht voldaan heeft. Dat is Zijn eer, omdat Hij mensen, die de beelddragers Gods waren, gered heeft uit zondeschuld en zondestraf en in dat heerlijk beeld hersteld heeft. Dat is Zijn heerlijkheid. Nu staat er, dat Hij van hen scheidde en toch was Zijn heengaan voor de kerk geen verlies maar winst. Hij scheidde van hen om daar Zijn arbeid voort te zetten, om aldaar altijd te bidden tot de Vader, als de enige en volmaakte voorbidder, alzo Hij altijd leeft om voor ons te bidden. Hij scheidde om van daar uit, van boven af Zijn gemeente te besturen. Hij scheidde om nu daar plaats te bereiden voor al de Zijnen, opdat, als daar plaats bereid was, Hij hen tot Zich nemen zou in heerlijkheid. Hij scheidde om in Zijn plaats de Heilige Geest te geven als een andere Trooster, een goede Trooster, een volmaakte Trooster.

Dat was dus wel scheiding, maar tot verblijding. En Hij werd opgenomen in de hemel. De Schrift spreekt hier niet over een Eliawagen, over de vurige wagenen met hunne paarden. Wij zien wel twee engelen staan op de Olijfberg bij de discipelen. Toch spreekt de bijbel in de genoemde 68e Psalm van de twee maal tienduizend, de duizenden verdubbeld, van de wagenen Gods bij de hemelvaart. Daar is meer gebeurd achter de wolk dan wat zij ervan gezien hebben. Stil slechts. Daar zijn naar de 24e Psalm ook de reien van engelen geweest, die bij beurten gezongen hebben. Maar het schoonste van alles is wel dit, dat de 68e Psalm zegt, dat de Heere onder hen is een Sinaï in heiligheid! Hij werd opgenomen. De Vader Zelf heeft Hem opgenomen, heeft Hem thuis gehaald. Hij is opgevaren. Hij is opgenomen.

Gods wagens boven 't luchtig werk Zijn tien- en tienmaal duizend sterk, verdubbeld in getalen. Bij hen is Zijne Majesteit Een Sinaï in heiligheid Omringd van bliksemstralen Gij voert ten hemel op, vol eer De kerker werd Uw buit o. Heer'! Gij zaagt Uw strijd bekronen Met gaven tot den mensen troost, Opdat zelfs 't wederhorig kroost Altijd bij U zou wonen.

Christus ontvangt de lof der heerlijkheid
Dat is een wondere zaak, dat de aarde Hem aanbidt en lof geeft op Zijn Hemelvaartsdag. Dat de hemel Hem op die dag lof geeft, dat hoorden wij uit de 24e Psalm, waar de engelen zingen bij beurten aan de verhoogde poorten, die de boog verhoogden. Dat er een eerbiedige dankzegging is bij de gezaligden uit het Oude Testament, die door het geloof reeds de Hemelvaartsliederen leerden zingen en die nu Hem zien inkomen, Die hun Gode gekocht heeft door Zijn dierbaar bloed. Het is te verstaan dat de Vader met diepe vreugde vervuld is door het nu volbrachte werk van Zijn Zoon, in Wie Hij al Zijn welbehagen had en Die gehoorzaam geworden is aan de Vader tot in de dood, Die ook gehoorzaamheid geleerd heeft uit hetgeen Hij geleden had, het is zeker te verstaan.

Maar dat nu de kerk op aarde mee mag doen in die eer en vreugde, dat is gadeloos ontfermen. Dat bewijst dat Zijn heil voor zondaren is. Dat geeft moed voor 'n zondig mensengeslacht. Dat geeft hoop voor de kerk. De elf discipelen met name genoemd en niet een uitgezonderd, als de voorzangers en de voorbidders en de voorgangers van de kerk, doen met de hemel mee: Zij aanbaden Hem. Dat hebben zij ook eerder gedaan, maar nooit zo als nu op de tweede trap, van Zijn verhoging. Hoewel Hij van hen scheidde. Zij zien zo het volbrachte Hogepriesterlijke werk, zij voelen zo de kracht van Zijn zegen, dat zij Hem aanbidden, Hem achterna bidden. Zij keerden weder naar Jeruzalem en zij voelen zich niet verweesd. Zij keerden weder naar Jeruzalem met blijdschap, ja met grote blijdschap. Naar de stad waar hun velerlei gevaar en zelfs de dood dreigde, gingen zij welgemoed. Was hun Meester uit de dood zelfs herrezen, evenals ook hun vriend Lazarus, wat zou hun dan nu deze? Op naar de stad. Ons staat een sterke Held terzij! Met grote blijdschap. Deze blijdschap was een blijdschap over het heil van hun koning. Hun blijdschap was er een over de eer aan Hem geschonken, 't Was ook een onderwerpelijke blijdschap. Zij hadden wat ontvangen: Zijn zegen. Zij hadden wat ontvangen: Zijn Woord. Zijn Geest. En die zouden zij ook ontvangen. Daarom zongen zij in hun aanbidding aan God gewijd, in Hem verblijd van 's Heeren wegen.

En zij waren ten alle tijd in de tempel. Wondere zaak. In de tempel, waar de priesters de Heere der heerlijkheid hadden gekruisigd. Ja, weet goed wat gij zegt! Daar hadden de priesters huns ondanks het Goddelijk Paaslam Gode geslacht, als ze Hem buiten de poort hadden doen lijden. Kunt u verstaan, geliefden, dat zij God loofden over kruis en opstanding? Kunt u verstaan, dat zij God loofden? Wat hadden zij met de Heere ook weer gezongen aan de ingang van Zijn Lijden, aan het Avondmaal? De lofzang, de Psalmen 113 tot 118. Was dat niet het lied, waarmee wij begonnen zijn? De Heere is God, door Wien w' aanschouwen, het vrolijk licht na bang gevaar!

Welnu, de discipelen loofden God in de tempel allen tijd en zij dankten God in de tempel allen tijd. Voor danken staat het woord zegenen. Nu moet u weten, dat het volk bij het naar huisgaan na het Paasfeest en als ook de priesters naar huis gingen na de Grote Verzoendag, altijd de priesters toezongen de 134e Psalm. Zo zingen hier de discipelen de naar huisgaande Hogepriester toe de zegenbede. Jezus ontvangt voor Zijn zegen een zegen mee van Zijn discipelen. Gezegend is de grote koning. Wij zegenen U uit 's Heeren woning. Wij zegenen U al tesaam.

Wijlen ds. W.L. Tukker

Toogdag 2019 | 19-10-2019

bekijk alle albums
  • © hersteld hervormde kerk 2020