mannenbond

Welkom

Johannes 16 : 20: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, dat gij zult schreien en klagelijk maar de wereld zal zich en gij zult bedroefd wenen, verblijden; zijn, maar uw droefheid zal tot blijdschap worden.

Jezus' lijden en dood: de droefheid de kerk

Johannes 16 plaatst ons in de lijdensvoorzeggingen. Het hoofdstuk gaat vooraf aan het Hogepriesterlijk gebed, in Johannes 17. Dat is het gebed van Jezus'' lijden. In dit zestiende hoofdstuk is de teneur: ‘Ik ga heen tot Mijn Vader!’ Met de plechtige verzekering, die al Jezus' redenen kenmerkt, begint Hij hier Zijn afscheidswoord: ‘Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u’. Dat is als een eedsformule: Amen, amen. Het zal zeker geschieden. Het zal waar en zeker zijn. Al Zijn woorden zijn gewis. Nooit zal iemand kunnen zeggen: ‘Gij hebt dit of dat gezegd, wat niet goed was, of wat niet recht was, of wat niet uitgekomen is.’ De Heere is zo'n waarmaker van Zijn woord. Hij doet wat Hij zegt. Hij maakt gewis wat Hij spreekt.

Afscheidswoorden van iemand, die dit leven gaat verlaten, van iemand die sterven gaat, hebben altijd iets plechtigs, vooral als dat woorden betreffen van iemand, die een ander leven kent. Dat zien wij bij christenen, die soms nog zulke kernachtige dingen weten te zeggen op de grens van het leven. Vooral bij mensen met een profetische geest vindt u dat, zoals bij de aartsvader Jacob. Als die afscheid van de hunnen nemen in zegen en vloek, dan komen die woorden altemaal. Zulke woorden werkten tot in verre geslachten, eeuwen en eeuwen nadien in de stammen Israëls, naar Jacobs zonen genoemd.

Is dat nu bij mensen, toegegeven bij heel bijzondere mensen zo, hoe moet dat dan wel niet zijn bij de Heere Jezus, de allerhoogste Profeet. Hij heeft hier een woord ten afscheid voordat Hij die ontzettende dood gaat sterven aan Zijn kruis. Reeds zovele malen heeft Hij Zijn discipelen voorbereid op wat er gebeuren zou en ook op wat hun te wachten stond, maar het was of het maar niet tot hen doordrong. Dat is met de dingen Gods toch zo: al worden zij iemand voorzegt, dan is het nog zo heel anders als die dingen geschieden. Dat is in het gewone leven al zo, maar dat is zeker zo in de geestelijke en eeuwige dingen. „Nog een kleine tijd en gij zult Mij niet zien; en wederom een kleine tijd, en gij zult Mij zien; want Ik ga tot de Vader!"

De discipelen begrepen van al deze woorden niets en vraagden dan ook aan elkander: ‘Wat zou dat toch allemaal betekenen?’ En dan geeft de Heere dit antwoord van onze tekst: ‘Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, dat gij zult schreien en klagelijk wenen.’ De discipelen zouden zeer bedroefd zijn over al de ontzettende dingen, die er met hun geliefde Meester geschieden zouden, die zij, zij het op enige afstand, allemaal mee zouden maken. Dat vreselijke en onverwachte verraad van één hunner en dan de angstige spanning, of zij zelf die verrader zouden zijn.

Dan dat: gij zult Mij allen verlaten en verstrooid worden. Gij zult ook elkander kwijt raken. Dan die verhoren midden in de nacht, na die vreselijke gevangenneming. En dat zo'n geliefde Meester! En dan die vreselijke terechtstelling. Met booswichten, Hij zo onschuldig! En dan dat vreselijke volksgericht, met heel die kerkelijke overheid: ouderlingen, overpriesters, schriftgeleerden: heel de kerk! U leest in Gethsémané, dat de ogen van de discipelen bezwaard waren van droefheid, zodat zij door de slaap overmand werden. Dat heeft u vaak, dat iemand zo door droefheid en smart overmand kan zijn, dat hij in diepe slaap valt. En dan straks dat ontzettende sterven van de Heere Jezus onder die even ontzettende tekenen van aardbevingen en duisternis. En dan dat opengaan van de poorten der heerlijkheid voor die ene moordenaar. En dan dat opengaan van de poorten der rampzaligheid voor die andere moordenaar. En daar de Heere Jezus in het volle van Zijn majesteit tussen.


De discipelen zullen schreien, schreien, de een zowel als de ander. En klagelijk wenen! Daar zullen de tranen van Petrus buiten de zaal maar het voorspel van zijn. Schreien! Schreien! En klagelijk wenen. Dat kan men doen over een man, over een vrouw. Dat kan men doen over een kind, over een vader, over een moeder. Dat kan men doen over een vriend. Maar dat is nooit zo, als wanneer het geldt geestelijke banden. Dat grijpt dieper. Dat grijpt niet alleen in het leven, maar dat grijpt in het geestelijke leven. Dat grijpt in de ziel. En nu bedoel ik met het geestelijke leven nog veel meer dan het innerlijk leven van de ziel tussen mens en mens. Het gaat hier over de geestelijke betrekking van mensen tot hun God en Zaligmaker. Zij hadden Hem zo lief, ja als een Vriend, maar veel meer: als hun God en Zaligmaker. Met Hem verging hun hoop. Met Hem verging hun geestelijke verwachting voor de tijd en tevens voor de eeuwigheid.

Daar wordt tegenwoordig gezegd: ‘God is dood!’ Ontzettend: de eeuwig-levende! Zij zullen er wel wat anders mee bedoelen, maar het is ontzettend om het ook maar te zeggen en om het ook maar neer te schrijven. Dat snijdt ons door de ziel. Dat wil niet over onze lippen, dat wil niet uit onze pen. De eeuwig levende God! En de Heere Jezus is de Zoon van God. Ook de Zoon des mensen. En Hij, Die anderen opwekte uit de doden, stierf? Hier vallen voor hun besef de beloften Gods, hier valt de hoop op God. En valt hier ook met Hem nog het geloof in God? Kunt u begrijpen de diepe smart der discipelen? Schreien moesten zij, schreien. En klagelijk wenen! Wij lezen daar in de Evangeliën niet zoveel van, maar Die in het verborgene ziet, heeft het ons geopenbaard. Dit is liefdessmart. Dit is geloofssmart en die grijpt dieper dan alles.

Wijlen ds. W.L. Tukker

Toogdag 2019 | 19-10-2019

bekijk alle albums
  • © hersteld hervormde kerk 2020