mannenbond

Welkom

De dorst naar God en Zijn dienst

Een onderwijzing, voor de opperzangmeester, onder de kinderen van Korach. Gelijk een hert schreeuwt naar de waterstromen, alzo schreeuwt mijn ziel tot U, o God! Mijne ziel dorst naar God, naar de levende God: wanneer zal ik ingaan en voor Gods aangezicht verschijnen. Psalm 42 : 1 — 3

Ja David dorst naar God, naar de levende God. God was voor hem geen woord, was voor hem geen begrip, maar God was voor hem God, niet één levende God, maar dè levende God. God was daar in die tabernakel, boven dat verzoendeksel. David wist: ´Daar woont Hij Zelf´. O, dat wist hij zo zeker. Dat had hij gevoeld. Dat had hij gehoord in het onderwijs van de priesters. Dat had hij gehoord, als zijn vader en zijn moeder daarvan spraken. Daar had hij als het ware Gods eigen stem gehoord. Daar had hij God, de levende God in ontmoet. David heeft eens gedicht: ´De HEERE is mijn Herder, mij zal niets ontbreken.´ Zijn drie-en-twintigste Psalm. Zie daar hebt ge Davids God, Davids levende God. David had het ook gezien, David had zijn God gezien — daar in die tabernakel. Daar had hij het offer voor de zonden Zijns volks gezien, dat had hij zien branden, dat had hij zien verbranden en dan wist David dat er eens Eén zou komen, de Messias, Die Zichzelf als Borg zou geven voor de schuld van Zijn volk.

Dat heeft David geweten door het geloof, net als Abraham, net als Izaäk, net als Jacob. Wat een Messiaanse psalmen heeft David gedicht, de Psalmen 22 en 69 en 38 en 54, wat heeft hij daardoor heen de Christus mogen zien; hij heeft er van geprofeteerd, want David was een profeet, evenals zijn vrienden Heman en Asaf en Ethan. David heeft van Hem gezongen, evenals wij het nu doen. Ja David heeft Hem gezien, de levende God, de levende Zaligmaker, de Heere Jezus. Dat had hij allemaal in de tabernakel gezien, bij het altaar, bij die priesters van de allerhoogste God.

Kunt u begrijpen, dat hij naar die God, naar die levende God dorstte? En nu is de HEERE overal: men kan overal tot Hem bidden. Dat doet David ook. Maar hij hunkerde er toch zo naar om God te ontmoeten in al die dingen, waarin Hij te ontmoeten is, en waarin Hij ook ontmoet wil zijn — en dat was in Zijn huis, en dat was in Zijn dienst. En daarom zegt David, verzucht David en bidt David: ´Wanneer zal ik ingaan en voor Gods aangezicht verschijnen?´ Tot God ingaan, bedoelt David daarmee sterven? Net als Paulus zei: ´Ik wenste wel om ontbonden te worden en met Christus te zijn, want dat is verre het beste.´ Neen, zo lag dat met David niet, want hij wist, dat hij koning moest worden en hij was nog jong en hij zou ook nog veertig jaar koning moeten zijn. Neen zijn enig verlangen nu was naar de gemeenschap met God. En die zag hij zo levendig voor zich, dat hij dat noemt: en voor Gods aangezicht verschijnen.

Voor een levend mens is de kerkgang: God ontmoeten. Voor een levend mens is de bediening des Woords, zowel de Wet als het Evangelie: God ontmoeten, Gods aangezicht aanschouwen. Voor een levend mens is de bediening der gebeden: Gods aangezicht aanschouwen. Mocht dat toch ook bij u zo zijn en bij mij: Uw aangezicht, in gunst tot mij gewend, gaf mij in 't hart verzadiging van vreugde.

Wijlen ds. W.L. Tukker

  • © hersteld hervormde kerk 2018

Ontwerp en realisatie: