
Jezus is opgestaan!
En Hij zeide tot hen: O onverstandigen en tragen van hart om te geloven al hetgeen de profeten gesproken hebben!
Lukas 24: 25
Als het Evangelie heftig tegen ons uitvaart en ons geducht om de oren slaat, dan moeten wij daarom niet bang worden en er niet voor op de vlucht gaan; want het zal ons een zalf op het hoofd zijn en ons gebeente zal uiteindelijk heel vrolijk worden, als wij door deze schijnbare spitsroeden heen gekomen en door de liefde kort en klein geslagen zijn. Het is zeer zalig, door de Heere berispt en geslagen te worden; wij komen er geheel genezen af.
Nu moet vóór alle dingen dit het nut van de hierboven staande woorden zijn, dat, als wij afschuwelijke, verschrikkelijke zonden hebben of onder grote zielennood angstvallig gebogen gaan, wij tot déze slotsom komen: Deze zonden van mij zijn eigenlijk het ergste niet, en deze nood van mij is ook het ergste niet. Neen, mijn onverstand en de traagheid van mijn hart om te geloven al hetgeen de profeten gesproken hebben, dát is de bron en de oorzaak van alles wat mij zo bestrijdt. Als het Woord voor ons opengaat, zal ons hart al spoedig brandende in ons worden en zal het in ons beginnen te ontvlammen en te gloeien, zodat wij het gaan beseffen en er hoe langer hoe meer van verzekerd worden, dat Jezus toch nog moet bestaan. En zijn wij eerst maar eenmaal zó ver, dan komen wij heel gauw verder, en wel op het punt, dat het licht in ons aanbreekt en de morgenster opgaat in onze harten.
Vijftien jaar gelden kwam er een koningin bij mij; zij woonde hier in het dal in een heel armoedige woning. Ach, zij was zó ernstig ziek, zó moedeloos, zó vervuld van hardnekkig ongeloof, dat mijn hart ervan brak. Had zij in plaats van een ledig graf het lichaam van de Heere Jezus kunnen vinden, Zijn dode lichaam, dan zou zij nog hebben geloofd, dat Jezus bestond. Maar omdat zij niets zag dan zonden en nog eens zonden, niets dan dood en ondergang, daarom dacht zij ook, dat Jezus door de duivelen ergens in een kuil onder de grond gestopt was. Ik, die zo vaak óók in dit ziekenhuis gelegen had, dacht echter: die lieve onnozele vrouw! wat zoekt zij de Levende bij de doden? Jezus is immers opgestaan, zij heeft immers haar zonde en nood niet meer, zij heeft immers enkel vrijheid en gerechtigheid; en weldra wordt zij thuisgehaald; wat zal zij dan grote ogen opzetten en zeggen: Ik onverstandige, ik trage van hart, dat ik dit niet geloofd heb!
Welke raad moest ik haar geven? Een verslagen geest, wie zal die opbeuren? (Spreu. 18: 14). Zij had eten in een doek gewikkeld. Vrouw, wat hebt u daar in die doek? vroeg ik. Zij noemde het mij. Ik hierop: Dat kan ik niet zien! – en zodra ik dit gezegd had: Dat kan ik niet zien, was zij bliksemsnel weg. Drie of meer dagen daarna kwam zij terug en riep met luider stem: De Heere is opgestaan! Ik: Hoe weet u dat? Zij hierop: Door uw woord: Dat kan ik niet zien, werd ik bestraft en verschrikt; ik heb gekermd, geschreeuwd, zonder ophouden, en hier is nu Zijn profetisch woord: Opgestaan is Hij! – Jezus leeft, met Hem ook ik.
Mijn geliefden, wie het ook om de Heere Jezus te doen is en niet om een vergankelijk stukje goud, erkent uw zonde, uw onverstand en de traagheid van uw hart, en doet als deze vrouw, want Jezus bestaat met geheel Zijn heerlijke Naam. Opgestaan is Hij!
Maakt u op tot Hem, u, die nog voortgaat in de sleur van uw werelds en zondig leven, opdat Hij u niet zó bezoekt, dat u onderweg te gronde gaat in deze dagen, waarin Hij op een verschrikkelijke manier bewijst, dat Hij niet dood is, maar leeft.
Lieve Emmaüsgangers, spreekt alles maar voor elkaar uit, als u samen op weg gaat of samen thuis zit en weent, omdat u Hem zo graag gevonden zou willen hebben. Dit zeg ik u echter: uw ogen worden gehouden, dat u Hem niet kent; maar daarom is Hij tóch bij u. Destijds wist de dierbare Heiland, dat deze twee discipelen zo moedeloos, in zo’n hardnekkig ongeloof voortliepen; daarom ging Hij hen achterna om Zich aan hen bekend te maken. Is Hij sindsdien soms veranderd? Welnu, u allen, die niet kunt geloven en toch zo graag zou willen geloven, dat uw verlossing wáár is in Zijn Naam, ontvangt Zijn groet aan u uit de mond van Zijn dienaar: Ik leef, en gij zult leven. En zegt hierbij: Zet mij als een zegel op Uw hart en als een zegel op uw arm. Verblijdt u!
Dr. H.F. Kohlbrugge (1803 – 1875)