mannenbond

Welkom

Volharding der heiligen

Wie tot kind is aangenomen, is erfgenaam Gods, medeerfgenaam van Christus (Rom. 8:17; Gal. 4:7). Wie gelooft heeft reeds nu het eeuwige leven. Dus een leven, dat niet meer kan worden overwonnen door den dood (Joh. 3:16). Dit leven kan niet sterven, mede omdat het niet zondigen kan (1 Joh. 3:9). Het geloof is een vaste grond der dingen, die men hoopt en een bewijs der zaken, die men niet ziet (Hebr. 11:1). De hoop is een anker, dat zeker en vast is en ingaat in het binnenste heiligdom, zich vastklemmend aan en vastgehouden door Gods eed en belofte (Hebr. 6 : 19). Daarom beschaamt zij niet en de liefde vergaat nimmermeer (1 Cor. 13:8).

Als in vogelvlucht lieten wij aan onzen geest voorbijgaan al de zekerheden van Gods verbond, dat niet kan wankelen noch bezwijken. Zo is dus de Schrift vol van de waarheid, uitgedrukt en omschreven in het leerstuk van de volharding der heiligen. De volharding wordt echter verkregen in den weg van de gehoorzaamheid des geloofs, die ook als een weldaad des verbonds is toegezegd. Maar in den weg van strijd, gebedsworsteling wordt de getrouwheid Gods gekend in de loopbaan des levens. Is dus enerzijds de volharding een toegezegd goed, niet minder blijft de roeping tot volharden de weg om haar deelachtig te worden. Er is zo zouden wij kunnen zeggen, een dieet des geestelijken levens, waarvan de verwaarlozing gevaarlijk, ja, ten slotte dodelijk is, en bewijst, dat wordt gemist het ware geloof, dat in den weg van Gods geboden zoekt te wandelen.

Volharding is geen bloot natuurlijk gevolg van geloof en bekering, maar een dure roeping van den christen. Wie volharden zal tot den einde, die zal zalig worden. Wie in de loopbaan is moet alzo lopen, dat hij den prijs mag verkrijgen. Herhaaldelijk wekt het Woord op tot volharden, tot waken, tot bidden, tot niet vertragen. Zeker zal nu eens meer de ene dan de andere zijde der waarheid in de prediking naar voren worden gebracht, maar steeds zullen beide zijden der waarheid tot hun recht moeten komen in het verband, waarin de Schrift ze stelt. Indien het mogelijk ware, zouden de valse Christussen ook de uitverkorenen verleiden, lezen wij, Matth. 24:24, doch het is niet mogelijk, zo is de bedoeling. De Schrift leert dus niet, dat de gelovige, al valt hij ook voorbedachtelijk in grootte, grove zonden, niettemin tot eiken prijs en als tegen zijn wens ten eeuwigen leven wordt bewaard. Immers, wie zóó zondigt, toont, dat hij nimmer een waar gelovige was. Denk maar aan hetgeen Romeinen 7 ons leert van het worstelend leven van Gods kinderen. Zij hebben een vermaak in de wet Gods naar den inwendigen mens. Die deze hoop op hem heeft die reinigt zichzelven, gelijk Hij rein is (1 Joh. 3:9).

´Zover is het ervan af, dat deze zekerheid der volharding de ware gelovigen hoogmoedig en vleselijk gerust zou maken, dat zij in tegendeel de ware wortel der nederigheid, kinderlijke vreze, ware godzaligheid, lijdzaamheid in allen strijd, vurige gebeden, standvastigheid in het kruis en in de belijdenis der waarheid, en van gegronde vreugde in God is, en dat de overweging dezer weldaad een spoorslag en aanhoudende beoefening van dankbaarheid en goede werken is´ (Dordtse Leerregels). Zo mag de leer van de volharding der heiligen niet worden gescheiden van de praktijk der godzaligheid en het leven des waren geloofs. Gods macht en trouw blijven verbonden met Zijne heiligheid en waarheid. Het is dus waar, dat het leven van Gods kinderen een leven is van vallen en opstaan, omdat zij in dit leven niet ganselijk zijn verlost van het vlees en het lichaam der zonde. Zo hebben zij gestadig oorzaak om zich voor God te verootmoedigen, hun toevlucht tot den gekruiste Christus te nemen.

Het vlees moet door heilige oefeningen des gebeds en der godvruchtigheid worden gedood. Zij leren zuchten naar den eindpaal der volmaaktheid. Werden zij nu aan hun eigene krachten overgelaten, zo zouden zij niet staande blijven, maar de Heere bewaart hen. Zij worden echter niet altijd zóó van God geleid en bewogen, dat zij in sommige daden door hun eigene schuld van de leiding der genade niet kunnen afwijken. Daarom wordt waken en bidden geboden. En zo zij dit niet doen, zo kunnen zij niet alleen door het vlees verrast worden, maar zelfs tot gruwelijke zonden komen. De Schrift leert het ons uitdrukkelijk en de ervaring bevestigt deze waarheid tot op den huidigen dag in Gods Kerk. Maar (gelijk de Dordtse leerregels zo treffend opmerken) met zodanige grove zonden vertoornen zij God zeer, vervallen in schuld des doods, bedroeven den Geest, verbreken voor enen tijd de oefening des geloofs, verwonden hun consciëntie zwaarlijk en verliezen somwijlen, voor enen tijd, het gevoel der genade, totdat hun, wanneer zij door ernstige boetvaardigheid op den weg wederkeren, het vaderlijk aanschijn Gods opnieuw verschijnt.

Want God, die rijk is in barmhartigheid, neemt, naar het onveranderlijk voornemen der verkiezing, den Heiligen Geest van de Zijnen zelfs ook in hun droevig vallen, niet geheel weg. Hij laat hen niet zover vervallen, dat zij van de genade der aanneming en van den staat der rechtvaardigmaking uitvallen, óf dat zij zondigen ter dood, óf tegen den Heiligen Geest, en van Hem geheel verlaten zijnde, zichzelven in het eeuwige verderf storten." Zo worden Gods kinderen opgewekt tot naarstigheid en de waarschuwing moge ook heden worden betracht: Waakt. Doch ons laatste woord blijft: de roeping en verkiezing Gods zijn onberouwelijke. Daarom worden de erfgenamen bewaard voor de erfenis en de erfenis voor de erfgenamen. De vraag is nu, of wij in die bewaring delen en van deze bewaring verzekerd zijn in het geloof, dat wij zijn en altoos blijven zullen ware en levende leden der Kerke; dat wij hebben vergeving der zonden en het eeuwige leven.

Wijlen ds. I. Kievit

  • © hersteld hervormde kerk 2019