mannenbond

Welkom

Ik ben een vreemdeling op de aarde, verberg Uw geboden voor mij niet. Psalm 119 : 19.

Deze weken gaan velen met vakantie of zijn met vakantie, in binnen-en buitenland. En omgekeerd komen duizenden mensen uit de ons omringende landen naar ons land. Een complete volksverhuizing. We hebben het nodig, een tijdje rust. En er zit iets aantrekkelijks in, vreemde landen bezoeken, vreemde mensen ontmoeten. Enkele weken in een totaal andere omgeving zijn. En toch — voor een poosje is het mooi, maar het moet weer niet te lang duren. We zijn blij als we met vakantie gaan, we zijn nog méér blij als we behouden thuis mogen komen. Oost-west, thuis best. Want we zijn in den vreemde toch niet thuis, we horen hier, in ons eigen vaderland.

Hoe kun je dat volhouden, vreemdeling zijn op aarde.? Hoe kom je er doorheen, die tijd die moet worden doorgebracht in een vreemd land.?

Dat is een vraag voor deze dichter. Hij weet de weg in dat land niet. Hij kent de wetten van dat land niet... Hoe moet dat, in den vreemde, zonder leiding en zonder zorg? En toch vraagt hij niet .om zo spoedig mogelijk uit die vreemdelingschap verlost te mogen worden en naar zijn vaderland te mogen gaan. Dat. is wel de begeerte van zijn hart. Maar hij moet Gods raad uitdienen. En zijn weg gaat door het land van de vreemdelingschap. Daarom vraagt hij: verberg Uw geboden voor mij niet.

Uw geboden. Die komen in dit lied nogal eens aan de orde. Het is aan één stuk door: Uw wet, Uw geboden, Uw inzettingen, Uw rechten. In allerlei toonaarden komt dat terug: de wet waarnaar hij verlangt en waarin hij vreugde vindt. Vreugde in de wet? Wetten, geboden zijn niet zo populair. Wat is er droger en saaier dan een wetboek? Maar voor deze dichter is de Wet veel méér. Het is het geheel van Gods onderricht aan Zijn volk. Het heil dat Hij heeft bekend gemaakt, in beloften en in geboden.

En dat zijn voor de dichter de gedragsregels in het land van zijn vreemdelingschap, waarnaar hij heeft te leven en te handelen. De gids door het vreemde land. Zonder die regels komt hij dat land niet door. Als de Heere Zijn geboden voor hem verbergt, dan is hij nergens. Dan zal hij verdwalen en omkomen. Dat is nu kenmerk van het leven van het geloof. Dan krijgen we plezier in de wet. God heeft regels gegeven om naar te leven, en die hebben we lief. Uw inzettingen zijn mijn gezangen geweest ter plaatse van mijn vreemdelingschappen.

Herkennen we onszelf in deze man? In de wereld en toch niet van de wereld? Burgers van het Koninkrijk der Nederlanden en tegelijk burgers van de stad die fundamenten heeft? Dat moet te zien, dat moet te merken zijn. Of ons leven gericht is op de eer van God en genormeerd aan de wet van God. Met vallen en opstaan. Maar in ons hart toch een lust en een liefde om naar alle geboden van God te leven. Dan kun je niet meer volop in de wereld leven en volop met de wereld meedoen. En dat heeft te maken met de kleinste dingen van het leven. Met huwelijk en gezin, met werk en vrije tijd.

En dan zullen we misschien vaak „nee" moeten zeggen. Niet omdat we overal tegen zijn. Maar omdat we zo graag gelijkvormig willen zijn aan het Beeld van Christus. De grote Vreemdeling Die onder ons heeft gewoond en Die — wonder boven wonder — ook wil wonen in ons hart! Verberg Uw geboden voor mij niet. Dat is eigenlijk niets anders dan: o Zoon, maak ons Uw Beeld gelijk. Vreemdelingen op de aarde, maar met een Schat in de hemel. En bij tijden mogen we er zicht op hebben in het land van onze vreemdelingschap, op het goed dat weggelegd is voor allen die Hem vrezen. Soms thuis, in de binnenkamer. Of in de kerk, onder de bediening van het Woord. En aan de Avondmaalstafel. Of zomaar onder het werk, of in een drukke winkelstraat. O heerlijk erf, gij kunt mijn ziel vervoeren!

Het is niet altijd een gemakkelijk leven. Vaak nee zeggen en nog het meest tegen onszelf. Maar het weegt niet op tegen wat gereed ligt. Ons vaderland is elders. De stad met gouden straten en paarlen poorten, Waar HIJ is, de grote Vreemdeling, Die heengegaan is om plaats te bereiden. Gaat ons hele hart naar HEM uit? Die hoop moet al ons leed verzachten, Komt, reisgenoten 't hoofd omhoog! Voor hen die 't heil des Heeren wachten Zijn bergen vlak en zeeën droog. O zaligheid niet af te meten! O vreugd die alle smart verbant! Daar is de vreemdelingschap vergeten. En wij, wij zijn in 't vaderland.

Zalig zijn allen die heimwee hebben, want zij zullen thuiskomen.

WvG

  • © hersteld hervormde kerk 2022