mannenbond

Welkom

Advies om te lezen: 1 Koningen 17 : 7—16

Sober is de mededeling van de Schrift: ´En zij ging heen, en deed naar het woord van Elia.´ 

Deze eenvoud van het verhaal bevat een wenk: wij zullen de geboren heidinne niet bewieroken. Maar wel mag, tot roem van Gods genade, gesproken worden over hetgeen zij heeft gedaan. Het is ons reeds bekend, dat de Heere een goed werk in haar had begonnen. Een aanvankelijk geloof in Jehova, als den levenden God, was in haar gelegd. Over den middellijke weg is niets vermeld, maar kennelijk had de Heilige Geest deze aanbidster van Baal aangeraakt en enigermate in bearbeiding genomen. Haar zwakke geloof kwijnde echter, en was haar in het minst niet tot steun. Zij verwachtte niets van Jehova, al beleed zij, dat Hij de levende God is. Als een, die geen uitzicht heeft, had zij tot Elia gesproken over den laatsten maaltijd, dien zij met haar kind zou houden, om daarna den hongerdood te sterven. Kwijnende was haar geloof.

Werd het niet geheel uitgeblust door Elia's ogenschijnlijk wrede eis, om van haar armoedig bezit nog een portie aan hem af te staan? Heeft zij in verontwaardiging betuigd, dat zij Jehova verachtte, dewijl Hij zulk een ongevoelige, onbarmhartige, volgeling had? Neen, wonderlijk, haar ontluikende geloof kwam onder Elia's woorden in volle bloei te staan; haar ingezonken geloof verhief zich als op adelaarswieken; haar smeulend geloof schoot lichtende, verwarmende vuurvlammen uit. Zij heeft niet bits tot den profeet gezegd: ‘Om een stuk brood van mij te bemachtigen, wilt gij mij wat op de mouw spelden. Vertel maar aan anderen, dat hun meel en olie niet zullen opraken; mij kunt gij met zoo n fabeltje niet beet nemen.’ Niets van dat alles. Zij heeft haar hoofd en haar hart gebogen onder het: Zóó zegt de Heere, de God Israëls. Onwederstandelijke genade deed Elia het zwijgen opleggen aan zijn eigen redeneringen; en dezelfde genade werkte ook in de vrouw. Zij heeft des Heeren woord gehoord en aangenomen; zij heeft het gebod aanvaard, en de belofte omhelsd. Waarlijk, wat de Zaligmaker tot de Kananese vrouw zeide, is ook op haar landgenote, de weduwe te Zarfath, van toepassing: ‘O vrouw, groot is uw geloof’ (Matth. 15).

‘Zij ging heen, en deed naar het woord van Elia.’ Het sprokkelhout nam zij op, en zonder dralen keerde zij huiswaarts. Wat was zij veranderd! Ziet, haar voeten sleepten niet moeizaam over den grond, en uit haar gelaatstrekken is de wanhoop verdwenen. Wat was zij veranderd! Met opgewektheid legde zij, in haar woning gekomen, vuur aan; en onbekommerd bakte zij de broodkoeken. Haar hand zal gebeefd hebben, niet van angst voor de toekomst, maar van ontroering over Gods uitredding. Wat was zij veranderd! Ja. Omdat zij geloofde, omdat zij zich hield aan des Heeren woord — aan Zijn bevel en aan Zijn toezegging. De vrouw had dit niet van zichzelve; maar na de voorbereidende genade schonk de Hemel haar de genade der overgave, de genade van vertrouwen en gehoorzamen. Haar kennis over de Waarheid was waarschijnlijk gering — Elia zal haar in de maanden, die volgden, wel breder onderwezen hebben — doch de wortel der zaak. Het wézen des geloofs, werd in haar gevonden.

Lezers, lezeressen, in kennis overtreffen wij allicht de weduwe van Zarfath; van der jeugd af aan zijn wij immers onderricht. Maar evenaren wij - ik spreek niet van overtreffen - haar rotsvast geloof? De vraag stellen beduidt de ogen neerslaan. De Geest der genade en der gebeden make er ons onrustig en jaloers bij; Hij drijft ons aan tot de smeking van den benarde vader: ‘Ik geloof, Heere, kom mijn ongelovigheid te hulp.’ Tracht niet uzelven tot een gelovige te maken; in dagen van voorspoed gevoelt gij er u rijk mede, doch wanneer het spannen gaat, zal uw ontgoocheling te bitterder wezen. Het geloof, dat wij onszelven verschaffen, laat de boze onaangevochten; hij weet wel, dat het waardeloos is, en dat wij er zijn onderdanen mede blijven. Een waar, een geschonken, geloof blijft echter niet onbestreden; want wat Gods gunst werkt en geeft, is een doorn in het oog van duivel, wereld en eigen vlees. Ik heb er ontmoet, die steeds konden roemen, totdat... de tegenslag kwam; het einde verklaarde het begin. Daarentegen heb ik ook kleintjes gekend, die evenmin als de weduwe van Zarfath durfden mijnen, en in wie het goede werk Gods lieflijk, stralend, tot openbaring kwam, juist toen het heel donker werd. Gelijk de vrouw zag op Elia, den gezant van Jehova, zoo worde onze blik telkens weer — telkens weer. Want, och, onze ogen dwalen zoo spoedig af — gericht op Jezus Christus, den meerderen Elia, in Wien en door Wien Gods beloften ja en amen zijn.

Wijlen ds. E. van Meer

Toogdag 2019 | 19-10-2019

bekijk alle albums
  • © hersteld hervormde kerk 2020