
Ongewenst vreemdeling
En er was honger in dat land; zo toog Abram af naar Egypte, om daar als een vreemdeling te verkeren, dewijl de honger zwaar was in dat land.
Genesis 12: 5-20
Het was een hele onderneming voor Abraham. Eerst alles verlaten. Vervolgens werd het beloofde land hem niet aangeboden. In Kanaän waren de Kanaänieten. Logisch. Zo hoort het immers. Abram Hebreeër, wat doe je hier? Abram kwam tot aan de waarzeggers-terebint in Sichem. Daar vierde de valse religie de hoogste triomfen. Maar zie, daar verschijnt de Heere. Wie God heeft geroepen, Die begeeft en verlaat Hij niet. Zegevierend klinkt het op de plaats van duistere orakels, ondubbelzinnig en helder: Uw zaad geef Ik dit land. Twee stellige verzekeringen: Abram zou een nageslacht hebben èn een land. Israël voor de Israëlieten. Laat de duivel het niet horen. Want Abram heeft nog enkel de belofte, al heeft hij daarin in feite ook alles. De vorst der duisternis zal Abram ziften als de tarwe. Abram trekt voort en hij bouwt altaren. Altaren van dank en aanroeping. Altaren bouwen, dat moet het eerste zijn, telkens weer en overal.
Abram trekt steeds maar verder naar het zuiden. Alsof hij niet recht vinden kan. Daar gebeurt het: een hongersnood breekt uit. Is Abram dáárvoor uitgetrokken? Als we verhuizen, worden we graag gastvrij welkom geheten met een heerlijke maaltijd. Ontvangt de Heere Abram met honger? Tegenslag, scherper waargenomen verzoeking is vaak het eerste station op Gods weg. Hij kreeg de kans terug te trekken. Dat deed Abram niet. Hij ging naar Egypte. Was dat al verkeerd? In ieder geval gaat het mis wanneer Abram zijn verstand laat werken. Als we met vlees en bloed te rade gaan, loopt het onherroepelijk fout. Want dan schakelen we voor die gelegenheid het geloof uit. Abram is geen ferme figuur, naar het ons voorkomt. Hij gaat graag onverkwikkelijke moeilijkheden uit de weg. Het onedele en verachte heeft God uitverkoren. Abram is bang voor zijn hachje. Ze zullen mij doden, vreest hij. Maar Abram, als u het leven erbij zou inschieten, zou God dan niet verreweg het meeste verliezen? God zou immers Zijn krediet verspelen. Wat is de mens? Zoals Petrus dapper zijn voeten buitenboord zet, zo toog Abram gelovig uit Haran naar Kanaän. Maar Petrus moet niet op wind en golven acht geven. Abram moet niet op de manieren van een zinnelijke farao letten. De weg naar Egypte is een hellend vlak. Sara wordt geofferd en ze laat zich gedwee offeren. Ten koste van Sara gaat het Abram goed. Het gaat me goed in het leven, zegt menige rijkaard. Ja, hij durft beweren: Ik wordt gezegend. Maar zeg me, in alle ernst, gaat het u goed ten koste van uw naaste? Dan is welvaart woeker. Gaat het ten koste van uw roeping, die u eraan waagt? Koopt u zegen? Abram kreeg genoeg. Zelfs slavinnen. Misschien wel …. Hager?
Met farao ging het minder goed. Het is een wonder dat God het opnam voor Zijn knecht, die het wel heel belabberd verknoeid had. Farao’s vragen zijn voor Abram vernietigend. Hij was een beest voor God geweest. Hij had de waarheid niet geloofd. Hij had niet overlegd dat God machtig was. Een halve waarheid bleek een hele leugen. Als een ongewenst vreemdeling wordt hij over de grens gezet. In de richting van Kanaän. Groot moet Gods geduld Zijn wanneer Hij zo iemand niet verstoot. Zou je niet beu worden van vrome mensen? Zou je je niet eindeloos verlustigen in de trouw en de genade van God? Ja, dat kunnen we beter doen dan het eerste.
Ten slotte zien we nog een opmerkelijk perspectief. Door honger wordt straks een volk als vreemdeling gedreven in het land van Cham. Hoe kritiek is de situatie voor het nageslacht. Farao en zijn volk worden dan echter geslagen met zware plagen. Een leger doet vervolgens een heel volk uitgeleide. Ze trekken uit met goud en zilver. Het is de God van Abram, Die de ellende van Zijn volk in Egypte ziet. De Heere gedenkt aan het verbond met Abram. Al is het vaak door eigen schuld dat ze in de armoede terechtkomen. God kan Zichzelf niet verloochenen. Hij blijft voor al de Zijnen, De Heere, hun God, Die hen uit Egypteland, hun diensthuis, uitleidde, uitleidt en ook uitleiden zal. Zo bevrijdt de Heere altijd weer, totdat aan het einde van alle zwerftochten van afval tot afval, maar ook van altaar tot altaar, klaar staat om in het eeuwige Kanaän alle tranen van onze ogen af te wissen. Vooral ook de tranen die we in het verborgen schreien, omdat we onszelf altijd weer zo tegenvallen. De tranen, die vloeien over de wangen van de weemoedige dichter: Gelijk een schaap heb ik gewaald in het rond. Onbedachtzaam was hij zijn herder uit het oog verloren.
Uit: Een eeuw geloven, ds. H.G. Abma