mannenbond

Welkom

Want het leven is mij Christus, en het sterven is mij gewin.
Het leven was hem Christus. Het kon dan ook niet anders of net sterven moest hem dan tot gewin zijn. De dood is het grote verlies voor alle wereldsgezinde en voor alle vleselijk gezinde mensen. Zij verliezen bij de dood al hun hoop, al hun gemak, al hun bezit, al hun begeerlijkheden. Paulus verliest bij de dood niets, maar integendeel gewint hij alles. Wat hij verliest, dat is het schadelijke van dit leven, de zonde, de wereld, de duivel. Hij verliest alle moeite, alle verdriet, alle pijn, alle smart, hij verliest die gestadige dood, die in hem is. Het sterven is hem Christus en daarom gewin. Al zou hij als een martelaar sterven, dan sterft hij niet zichzelf, maar Gode.

In de volgende verzen (22 tot 24) overweegt hij de mogelijkheden van het in leven blijven of sterven, afgezien van de manier, waarop dat sterven kon plaats vinden, afgezien ook van een eventueel martelaarschap. En dan, als hij bereid zich bevindt, om te blijven en om te sterven, dan stelt hij bij voorbaat vast, dat het sterven hem gewin zal brengen. Christus is toch zijn sterven en Christus heeft alle verlies geleden, dat een zondaar te lijden had, en daarna was Christus Triomfator en zouden die van Christus waren, in Hem, meer dan overwinnaars zijn. Christus heeft niets meer te verliezen, maar Hij heeft alleen en Hij heeft alles te winnen.

Daarom brengt het sterven van de apostel groot gewin. Hij gewint Gods onmiddellijke nabijheid, hij gewint Christus'' liefdevolle tegenwoordigheid, hij gewint de ongebroken inwoning des Geestes. Hij gewint de gemeenschap met de triomferende Kerk, met de vromen van de oude en van de nieuwe dag, en in van eeuw tot eeuw toenemende voltalligheid, van de Kerk van Christus. Hij gewint het blinken als van het uitspansel, omdat hij er velen gerechtvaardigd heeft. Hij gewint de heerlijkheid des Heeren te mogen vertellen in de gewesten van storeloze zaligheid.

Blijven tot bevordering
‘En dit vertrouw en weet ik, dat ik zal blijven en met u allen zal verblijven tot uw bevordering en blijdschap des geloofs.’ Paulus spreekt over zijn blijven in dit leven, ten bate van de gemeenten. Men moet hier niet aan de heiligen te Filippi denken alleen, maar veel meer aan de Kerk, waaraan Paulus verbonden was. Nu spreekt Paulus van zijn in leven blijven niet op grond van een bijzondere openbaring Gods, maar op grond van zijn vertrouwen. Hij vertrouwt, dat God hem niet zal wegnemen, dat God hem nóg niet zal wegnemen uit dit leven. En dat vertrouwen, dat hij op God heeft, is zo groot, dat hij zegt: ‘Dit vertrouw en weet ik.’ Dat zit zo: De apostel was in de loop der jaren met Gods doen met hem bekend geworden, hij had zicht op Gods handelingen, op Gods wijze van doen, gekregen. Daar is een vertrouwen, dat op ervaring gegrond is. En zo’n vertrouwen kan zo groot zijn, dat zo iemand kan zeggen: Ik weet dat. Hier is een hopen, dat niet beschaamt. Hier is een vertrouwen, dat zekerder is dan zien. Het is even vast als het ontvangen van een Goddelijke openbaring, het is even vast als het ontvangen van een belofte. Dit vertrouw en weet ik, dat ik zal blijven.

En met u allen zal ik verblijven. Sommigen menen, dat de apostel weer vrij geraakt is na deze, en dat hij Azië, Griekenland en Spanje doorreisd heeft en dat hij op deze reis ook Filippi nog eens heeft aangedaan. Anderen zijn van oordeel, dat de apostel in gevangenschap gebleven is tot aan zijn tweede verhoor, en dat hij daarna tot een drankoffer geofferd werd, naar Filippenzen 2:17. Hoe het zij, zeker gaan wij, als wij deze tekst lezen als: met u allen verblijven zal, namelijk in het leven, tot dienst des Evangelies.

Dat laatste nu noemt de apostel: tot uw bevordering en blijdschap des geloofs. Zelfs in banden en in gevangenis is de Evangeliedienaar Paulus altijd in staat om de gemeente ook te Filippi te dienen, hetzij door brieven, hetzij door mondelinge boodschap van Epaphroditus, hetzij door het zenden van Timotheüs. Tot uw bevordering, tot vordering, tot toename in het geloof. De apostel is er zo op uit geweest, dat deze mensen er meer van wisten, er meer van leerden, na de eerste beginselen de diepere stukken, de grotere verbanden, dan ook van het reeds geleerde meer de wortels. Het geloof is van zo rijke inhoud. Het biedt zo'n rijke stof, zo'n rijke inhoud, dat men er, als het goed is, wel in vorderen moet.

Naar de mate, dat de kennis des geloofs toeneemt, naar die mate neemt ook de blijdschap des geloofs toe. Let er wel op, dat de apostel daaraan ook werkt. Hij zegt ergens, dat hij is een medearbeider uwer blijdschap. De vreugde des heils is een gebouw apart, dat gelijkelijk oprijst met het gebouw onzer hoop. Het is als een dom met twee torens van gelijke hoogte. Welnu, de apostel vertrouwt, dat hij zal blijven tot dat werk. Dat zal den Heer' veel aangenamer zijn dan os of var, die hunne klauw verdelen. De blijdschap zal het hart der vromen strelen, Als zij mij zien, verlost van smart en pijn.

Gij, die God zoekt in al uw zielsverdriet, Houdt aan, grijpt moed, uw hart zal vrolijk leven; Nooddruftigen veracht Zijn goedheid niet; Nooit zal Hij Zijn gevangenen begeven.

De roem overvloedig in Hem
‘Opdat uw roem in Christus Jezus overvloedig zij aan mij, door mijn tegenwoordigheid wederom bij u.’

Dat is een hele worsteling geweest in de ziel van de apostel, om met zichzelf in het reine te komen, of hij beter kon sterven, dan of hij beter nog wat kon leven. En hij is er uit gekomen: om in het vlees te blijven, dat is nodiger om uwentwil. Maar denkt u dat in, wat dat voor Paulus betekende; het wilde dit zeggen: in de banden en in de gevangenschap blijven èn een wacht bij zich houden, als ware hij een boosdoener. Het wilde dit zeggen: na een onzekere tijd ten slotte toch vallen onder de beulshanden. Dit moeitevolle leven wilde de apostel nog langer rekken om voor de gemeenten en ook voor die van Filippi nog nuttig te kunnen zijn. En als zo zijn leven nog wat gerekt werd, en het zag er na die lange en uitputtende gevangenschap niet bepaald naar uit, dat dit geschieden zou, dan zou de gemeente van Filippi daarin zien de macht van Christus over cipiers, over gevangenissen en banden, over leven en dood en dan zou zij er in zien de verhoring van haar gebeden, en dan zou zij er in zien de roem der genade, dat het werk der genade de overhand behield over alle machten, die zich tegen het Evangelie der zaligheid kantten.

Zo zou de roem van de Heere Jezus Christus overvloedig zijn over Paulus. Dat was een grote blijdschap, toen destijds Petrus op het gebed der gemeente verlost was uit de gevangenis door een engel. Groter blijdschap kon het zijn, als de apostel Paulus eventueel verlost zou worden uit een jarenlange gevangenschap te Rome. God had toen immers zo lange tijd de gebeden niet verhoord en Hij had Paulus gelaten in gevangenschap. Zou hij nu loskomen, dan was dat tot meerdere roem van Christus. Maar ook als hij in deze gevangenschap in het leven gelaten werd, dan zou dat nog tot roem des Heeren kunnen zijn, omdat toch het Evangelie ongehinderd door kon gaan. Was dan de apostel gebonden, het wóórd des Heeren was niet gebonden. En de apostel ziet in die vrijheid van het Evangelie, als het ware, een zekere tegenwoordigheid bij de Filippenzen, hetzij door de zending van Timotheüs, hetzij door een boodschap van Epaphroditus, hetzij door een brief. Daarin was hij als het ware wederom bij de Filippenzen tegenwoordig. Het kan echter ook zo zijn, dat de apostel het niet voor onmogelijk gehouden heeft, dat hij nog eens ooit de Filippenzen wederzien zou. En ook dat zou tot roem des Heeren zijn aan zijn onwaardige knecht, Paulus, bewezen.

Wijlen ds. W.L. Tukker

Toogdag 2019 | 19-10-2019

bekijk alle albums
  • © hersteld hervormde kerk 2019