mannenbond

Welkom

Petrus Pinksterprediking en haar vrucht

En zij ontzetten zich allen, en werden twijfelmoedig, zeggende, de een tegen den ander: Wat wil toch dit zijn?  

 Handelingen 2: 12 - 21

De genade van de Heilige Geest maakte bij de menigte, die de woorden van de apostelen hoorde, het geweten wakker, zodat zij ontstelden en verbijsterd werden, en terwijl zij van de ijdele offers en werken werden gewezen op Jezus Christus en Zijn verdiensten alleen, wisten zij niet wat hun overkwam, want dat het geen holle woorden waren, daarvan hadden zij in de apostelen het bewijs voor ogen, en daarom zeiden zij de één tot de ander: Wat wil toch dit zijn?. Maar terwijl de énen in hun geweten getroffen tot zichzelf inkeerden, verhardden anderen, eveneens in hun geweten getroffen, zich tegen het Woord der waarheid en het machtige getuigenis van de Heilige Geest en spotten: Zij zijn vol zoeten wijn. Dat is immers het wapen wat de duivel de wereld in handen geeft, als zij zich tegen het getuigenis der waarheid niet verder meer verweren kan. En toch, ook al wil de duivel het werk van God verwoesten, Gods macht komt slechts des te sterker te voorschijn. Petrus, die hij in de hof van Kajafas had gezien, toen hij voor een eenvoudige dienstmaagd schrok en de Heere Jezus verloochende, deze zo op het allerdiepst verootmoedigde discipel, die indertijd, het nachtelijk duister in, naar buiten gesneld was, bitter wenend, grijpt nu, bekleed met de Geest uit de hoge één van de beide sleutels van het Hemelrijk, die de Heere Jezus hem heeft gegeven, en ontsluit zonder vooreerst een ander doel in het oog te hebben dan zijn medediscipelen tegenover de spot te rechtvaardigen, de Joden dit Hemelrijk.

Gij Joodse mannen, zo spreekt hij hen toe. Juda wil immers zeggen: De Heere zij gelooft. Joden behoren niet te spotten met de hoogste genade! Gij Joodse mannen, de zachtmoedigheid van het Lam spreekt uit deze woorden; want wat hadden zij niet daareven gedaan! Maar Petrus heeft een verbroken hart en daarom dondert hij er niet op los; nee, de volle vrucht van de Geest komt bij hem uit in zulk een geduld met verkeerden. En gij allen, niemand zal buitengesloten zijn, wie maar arm en ellendig is, en dat zijt gij allen, of gij het nu weet of niet! Die te Jeruzalem woont, in de stad, die alle beloften bezit, maar ze letterlijk alle met voeten treedt! Dit zij u bekend, en laat mijn woorden tot uw oren ingaan. Neemt het ter harte en bedenkt, wat tot uw vrede dient! Want deze zijn niet dronken, gelijk gij vermoedt; zichzelf verdedigt hij niet, maar wèl zijn broeders; op hen, op de Gemeente van Christus kan hij geen vlek laten zitten. Want het is eerst de derde ure van de dag, volgens onze dagindeling des voormiddags negen uur, en omstreeks deze tijd, vooral op het feest, drinkt geen enkele Jood wijn. De lasteraars zouden het overigens zèlf niet geloofd hebben. Maar, en nu drijft hij hen het Woord binnen, en het is een ernstig, diep-ontroerend woord: Maar dit is het, wat gesproken is door den profeet Joël: En het zal zijn in de laatste dagen, (zegt God) Ik zal uitstorten van Mijn Geest op alle vlees; en uw zonen en uw dochters zullen profeteren, en uw jongelingen zullen gezichten zien, en uw ouden zullen dromen dromen. En ook op Mijn dienstknechten, en op Mijn dienstmaagden, zal Ik in die dagen van Mijn Geest uitstorten, en zij zullen profeteren. En Ik zal wonderen geven in den hemel boven, en tekenen op de aarde beneden, bloed en vuur, en rookdamp. De zon zal veranderd worden in duisternis, en de maan in bloed, eer dat de grote en doorluchtige dag des Heeren komt. En het zal zijn, dat een iegelijk, die den Naam des Heeren zal aanroepen, zalig zal worden.

De profeet zag hier in de geest op de verwoesting van Jeruzalem. Een voorspel van het oordeel, dat over de gehele wereld zal komen. Want de laatste dagen, zijn de dagen van Christus af tot het einde der wereld toe. Aan dit oordeel zal nog een tijd van heil, een tijd van overvloedige genadebewijzen vooraf gaan. En nu komt de belofte, de beschrijving van deze genadetijd: Van Mijn Geest, die alleen de harten verbreekt en ze tot God brengt, die verloren kinderen aan het hart van de Vader legt, van Mijn Geest zal ik uitstorten, niet maar druppelsgewijs, nee in overvloedige stromen, op àlle vlees; hoe verdorven, hoe door-en-door zondig ook, het zal niet buitengesloten zijn, ook het aller ellendigste niet. Niet de ouden alleen, nee ook de jongen, niet de mannen alleen, nee ook de vrouwen, niet de aanzienlijken alleen, maar ook de dienstknechten en dienstmaagden, kortom geen enkele leeftijd, geen enkel geslacht, geen enkele stand is buitengesloten, zodat zij de Heilige Geest niet zouden ontvangen om uit eigen ondervinding te getuigen van Gods eeuwige ontferming, die in Christus tot zondaren gekomen is. Maar waarlijk waar zó de Geest wordt uitgestort, dan breken tegelijkertijd Gods oordelen los. Het één gaat samen met het ander. Maar God plaagt de mensen niet van harte. Hij komt met Zijn oordelen, die steeds beginnen bij Zijn huis, opdat de mensen zich bekeren en Hij barmhartigheid bewijst.

 Uit: Het woord is ons gegeven, dr. H.F. Kohlbrugge

 

  • © hersteld hervormde kerk 2026