• " En Jezus zeide tot hen:
    Volgt Mij na, en Ik zal
    maken, dat gij vissers
    der mensen zult worden. "
    Markus 1 vers 17
  • " Onderzoekt de Schriften;
    want gij meent in dezelve
    het eeuwige leven te
    hebben; en die zijn het,
    die van Mij getuigen. "
    Johannes 5 vers 39
  • " Uw woord is een lamp
    mijn voet, en een licht
    voor mijn pad. "
    Psalm 119 vers 105

Meer over Onderwijs

Wat is hervormd?

Op het seminarie van de Hersteld Hervormde Kerk geef ik twee vakken: apologetiek en kerkgeschiedenis. Bij het vak apologetiek gaat het om de redelijke doordenking en verdediging van het christelijk geloof jegens andersdenkenden. In de bachelorfase geef ik college over de christelijke apologeet Blaise Pascal (1623-1662). We bekijken dan hoe Pascal in zijn Gedachten het christelijk geloof heeft verdedigd tegenover de libertijnen van zijn tijd, en bespreken de vraag of en in hoeverre zijn ideeën voor ons nu nog relevant zijn wanneer we het christelijk geloof in onze moderne samenleving ter sprake willen brengen. In de masterfase verdiepen we ons in de achtergronden en inhoud van het zogeheten LHBTI-debat, en de consequenties daarvan.

In de masterfase geef ik ook het vak kerkgeschiedenis, en dan in het bijzonder ‘de geschiedenis van de vaderlandse kerk vanaf 1795’. De colleges over de daaraan voorafgaande periode (van Reformatie en Nadere Reformatie) worden verzorgd door mijn collega Van de Kamp.

Het doel van deze colleges is in de eerste plaats om onze studenten enige kennis van deze belangrijke periode bij te brengen. Dat is geen sinecure. De wereld, ook de kerkelijke wereld, is veranderd. Ik herinner me uit mijn eigen middelbareschooltijd dat we, vooral geïnspireerd door de geschriften van dr. W. Aalders, de geschriften van mr. G. Groen van Prinsterer en dr. H. F. Kohlbrugge lazen. We waren overtuigd van het belang daarvan. We hadden namelijk sterk het gevoel dat we het begin van een omslag beleefden, een omslag die in die tijd (begin jaren tachtig van de vorige eeuw) concreet gestalte kreeg in (het Voorontwerp van) de Wet Gelijke Behandeling. Het gelijkheidsdenken zou de vrijheid van kerk en school wel eens kunnen gaan beperken, zo begonnen we toen te vermoeden, en om die ontwikkeling te duiden hielp het om het boek Theocratie of ideologie van Aalders te lezen, en de bronnen die hij daarin gebruikt.

De lectuur van deze boeken, zo is mijn indruk, staat niet meer bovenaan bij hedendaagse studenten. Dat is enerzijds begrijpelijk, omdat zij in een andere tijd zijn opgegroeid en andere boeken lezen. Sommigen krijgen nu pas in deze colleges voor het eerst teksten van vertegenwoordigers van het Reveil en van Kohlbrugge onder ogen. Anderzijds is dit natuurlijk erg jammer, en wel om twee redenen. Teksten als die van Groen bieden een helder inzicht in de achtergrond van allerlei maatschappelijke, politieke en kerkelijke ontwikkelingen. En zij raken, ten tweede, direct aan onze hervormde identiteit. En de bezinning daarop is ook geen overbodige luxe.

Aan het begin van de collegereeks roep ik de gestalte van Christophorus in herinnering. Deze ‘heilige’, een reus van een man, wilde zijn kracht alleen in dienst van de machtigste koning op aarde stellen. Hij ontdekte dat dat Christus was, maar concludeerde ook dat een ascetisch leven in een klooster niets voor hem was. Als alternatief mocht hij zich vestigen in een woning langs een rivier, om op zijn sterke schouders mensen de rivier over te zetten. Op een dag komt er een kind. Christophorus heeft de grootste moeite het kind over de rivier te zetten, want de rivier is die dag woest en onstuimig en het kind wordt zwaarder en zwaarder. Aan de overzijde maakt het kind zich bekend als Christus, en bewijst dat door Christophorus terug te sturen naar zijn woning, waar zijn wandelstaf zal bloeien als een amandelboom.

Deze middeleeuwse legende kan dienen als een beeld om de essentie van de inspanningen van de mensen van het Reveil (Bilderdijk, Da Costa, De Clercq, Capadose, Groen van Prinsterer) weer te geven. In een tijd van grote maatschappelijke en politieke vernieuwingen, waarin de positie van de kerk en van christenen fundamenteel veranderde, zochten zij naar wegen om de christelijke traditie over de woelige baren van de negentiende eeuw heen te tillen. De vormen die zij daarbij kozen, zijn nog altijd de vormen waar wij het (nog) mee doen.

Het Reveil was een internationale beweging, waarvan we het begin kunnen lokaliseren in Genève. Studenten die ontevreden waren met het onderwijs aan de universiteit, kwamen bijeen om de colleges van Robert Haldane over de Romeinenbrief te volgen. Die luidden een opwekking in die zich over tal van landen in Europa heeft verspreid.

In Nederland begon het allemaal in een donkere achterkamer aan het Rapenburg in Leiden, waar Willem Bilderdijk, de grote miskende, privécolleges gaf aan nieuwsgierige studenten die wel eens wat anders wilden horen dan de gezapige colleges zoals die aan de universiteit werden gegeven. Hij gaf les over de vaderlandse geschiedenis en verdedigde de christelijke identiteit van ons land. Sommige studenten (zoals Da Costa en Capadose) werden door hem overtuigd, anderen (zoals Groen) werden in ieder geval aan het denken gezet. Da Costa en Capadose, beide van Joodsen huize, bekeerden zich tot het christelijk geloof en werden in de Pieterskerk gedoopt.

Van hieruit ontstonden in verschillende steden in Nederland kringen van Reveilvrienden. Vooral in Amsterdam en Den Haag, maar ook in Rotterdam en Utrecht. En ook in Friesland kwam het Reveil tot bloei, met name dankzij de prediking en inspanningen van ds. J. W. Felix. Een keer per jaar kwamen zij in een hotel in Amsterdam bijeen om hun activiteiten met elkaar af te stemmen, vooral nadat een predikant uit de Betuwe, ds. O. G. Heldring, de alarmklok had geluid over armoede en sociale misstanden.

De vrienden van het Reveil leefden in een land dat recent van karakter was veranderd. De Republiek had plaats gemaakt voor het Koninkrijk, de bevoorrechte positie van de Gereformeerde Kerk was verdwenen, de overheid had het onderwijs en de  armoedebestrijding naar zichzelf toe getrokken. Dat onderwijs was ‘neutraal’ omdat het voor alle Nederlanders toegankelijk moest zijn, en de Nederlandse Hervormde Kerk was via een aangepaste proponentsformule zo breed geworden dat alle denominaties er een plek in konden krijgen. De bestrijding van armoede en misstanden was een groot probleem, omdat de overheid slechts in uiterste omstandigheden een helpende hand wilde bieden.

Deze veranderingen bepaalden de fronten waarop het Reveil de strijd aanging. De vrienden streden voor eerherstel van de gereformeerde confessie in de Nederlandse Hervormde Kerk, voor eigen, christelijke scholen, wierven fondsen om armoede te bestrijden en mensen die aan lager wal waren geraakt, te helpen. Ze gaven eigen kranten uit en werden ook politiek actief. Tegelijk waren zij ervan overtuigd dat de keuze die in Nederland was gemaakt om niet langer een christelijk maar een levensbeschouwelijk neutraal land te zijn, een leegte had gecreëerd waarin allerlei ideologieën zich konden gaan nestelen. Dat betekende dat zij het Evangelie tegen ongeloof en revolutie in stelling wilden brengen.

Als we met elkaar zijn nagegaan hoe dit proces zich precies heeft voltrokken, bestuderen we ook de critici van het Reveil. We hebben het dan over Kohlbrugge, die met het Reveil brak omdat zij zijn visie op de heiliging niet deelde, over Abraham Kuyper, die het Reveil niet activistisch genoeg vond, en over de zogeheten ethisch-irenische richting, die meende dat het Reveil op theologisch gebied te conservatief was en ten onrechte weigerde om de grote wetenschappelijke vragen van die tijd onder ogen te zien.

Na de Eerste Wereldoorlog raakten veel theologen uit de ethisch-irenische traditie gecharmeerd van de theologie van Karl Barth. Er ontstond een nieuwe richting in de Nederlandse Hervormde Kerk, de zogeheten Midden-Orthodoxie. Aan het einde van de collegereeks bekijken we hoe predikanten als ds. I. Kievit en ds. G. Boer zich tot deze traditie hebben verhouden: ds. Kievit met zijn kritiek op het ‘dynamische denken’ dat de theologie doortrok, ds. Boer met zijn kritiek op de midden-orthodoxe prediking (in zijn befaamde discussie met prof. H. Berkhof).

Wie deze periode van de geschiedenis en deze theologen bestudeert, wordt geconfronteerd met wat we ‘de hervormde identiteit’ zouden kunnen noemen. En in die confrontatie is de relevantie van het vak gelegen.

De HHK wil immers voortzetting zijn van de aloude Gereformeerde Kerk uit de tijd van de Republiek (GK), d.w.z. van een kerk die leerstellig door trouw aan het gereformeerde belijden werd begrensd maar tegelijk divers en een kerk met brede randen was (de schare) en er als vaderlandse kerk voor de gehele bevolking wilde zijn. De voortzetting van de Gereformeerde Kerk in de Nederlandse Hervormde Kerk (1816) (NHK), met haar leervrijheid en modaliteiten, was geen ideaal: bínnen die kerk werd gestreden voor het herstel van de rechtmatige positie van de gereformeerde belijdenis.

Nu, in de huidige situatie, zijn wij dus hervormd in een geheel nieuwe context: niet meer in een volkskerk, niet meer in een modaliteitenkerk. Er is wel sprake van een theologische, maar niet van een juridische en historische continuïteit tussen de HHK en haar voorgangers. De HHK is homogener en gemarginaliseerder dan de aloude GK en de NHK. De vraag is óf en hoe in die nieuwe situatie de hervormde identiteit kan worden bewaard en gekoesterd.

Die oorspronkelijke identiteit van een brede volkskerk met een gereformeerde belijdenis, heeft in de loop van de tijd een bepaalde mentaliteit, een bepaalde kerkelijke en theologische cultuur, een bepaalde stijl geschapen. Deze cultuur is dus historisch bepaald en daarmee misschien ook wel relatief – maar was zij niet de schoonste gestalte die het christelijk geloof in de Lage Landen heeft aangenomen?

Van deze mentaliteit/cultuur/stijl vormden (in ieder geval) de volgende elementen een essentieel onderdeel:

1. Het hervormd-zijn was in de eerste plaats een geloof, gevoed door de stem van God zoals die in Zijn Woord tot ons komt. De boodschap van dat Woord, onze Bijbel, is meer dan adequaat in de drie belijdenisgeschriften van de kerk vertolkt. Die leer was de leer van de (Nadere) Reformatie en van de GK én de NHK, en wie het niet bij die leer hield, of de confessie wilde afschaffen of aanvullen, bevond zich er wederrechtelijk.

‘Echt hervormd’ of ‘gewoon hervormd’ wordt tegenwoordig ook wel gedefinieerd als het accepteren van vertolkers van geluiden die van het oorspronkelijke, gereformeerde belijden afwijken als ‘broeders en zusters van hetzelfde huis’, maar dit standpunt is in strijd met de oud-hervormde houding.[1]

2. De ruimte binnen de grenzen van de confessie maakte eigen accenten mogelijk. De GK was als volkskerk ruim (vgl. de dooppraktijk) maar confessioneel begrensd.[2] Die ruimte was de oorzaak van intern debat, maar ook van een bereidheid en vaardigheid om met interne verschillen om te gaan en de grenzen tegenover ruimer denkenden scherp te trekken (de discussie van ds. G. Boer met H. Berkhof is daarvan een schoolvoorbeeld). De bandbreedte en variatie die binnen de grenzen van de confessie legitiem is, bepaalde een mentaliteit van geloven en functioneren in een geloofsgemeenschap waarin het niet koekoek-één-zang was, en waarin de vrijheid voor iedereen om te zingen zoals hij gebekt was door de partituur van de confessie werd begrensd. Die diversiteit, in de NHK tot leervrijheid opgerekt, bracht ook lijden áán de kerk met zich mee.

3. Deze mentaliteit impliceerde ook een ‘gezonde lijdelijkheid’. De kohlbruggiaanse predikant H. J. de Groot hield op 29 juni 1906 een classicale preek in Gouda, waarin hij zich zowel van de Confessionele Vereniging (van Hoedemaker) en van de Gereformeerde Bond distantieerde. De Hoedemakerianen verwachtten z.i. teveel van een bestuurlijke reorganisatie, terwijl de Gereformeerde Bond zich z.i. (in 1906!) met een boedelscheiding tevreden stelde en daarmee ‘een goddeloze en onwettige werkelijkheid’ accepteerde. Hij miste: mannentaal (in plaats van het ‘ongelovig, zoetsappig gebazel’ van de Modernen en de ‘vage, filosofische taal’ van de Ethischen), schuldbesef, geloof, verantwoordelijkheidsgevoel en een heilig idealisme. Aan alle reorganisatie gaat de reorganisatie van onszelf vooraf, alle hervorming vraagt om ootmoed, geduld met de gebreken van de kerk, een wachten op de Heilige Geest, en het besef dat reformatie niet iets is dat wij zelf ter hand kunnen nemen.[3]

4. In de hervormd-gereformeerde traditie gaat deze ‘katholieke breedte’ altijd gepaard met ‘bevindelijke diepte’ (ds. J. T. Doornenbal). Die diepte heeft in genoemde traditie altijd bestaan in een bepaalde theologische eenvoud, waarbij de onderscheidingen tussen ‘tweeërlei kinderen des verbonds’ en een ‘voorwerpelijke en onderwerpelijke prediking’ centraal stonden – dat, en niet meer dan dat. Deze notie van ‘bevindelijke diepte’ is misschien wel actueler dan ooit, omdat deze op twee fronten wordt bedreigd. Er is het gevaar van het hypercalvinisme, van een ‘huis zonder deur’ (John Duncan). En er is het gevaar van een nieuw moralisme, van een verondersteld geloof, zonder zonde- en schuldbesef, zonder zelfonderzoek. De ‘bevindelijke diepte’ is een noodzakelijke voorwaarde voor de hervormde mentaliteit.[4]

5. Een ander aspect van de hervormde identiteit en mentaliteit is de bereidheid en de kennis om de moderne cultuur te analyseren, te doorgronden, ertegen te waarschuwen en er een alternatief voor te bieden. Het voorbeeld van iemand die dit protest tegen de tijdgeest een stem gaf, was natuurlijk dr. W. Aalders – een ethisch-gereformeerd theoloog die ‘Heer’ zei in plaats van ‘Heere’, maar die daarmee volgens ds. G. Boer ‘Dezelfde bedoelde’. Het gaat hier om een wonderlijke combinatie van ascese, innerlijkheid en vreemdelingschap, enerzijds, én de eruditie, anderzijds, om iedere vorm van verwereldlijking tijdig te onderkennen en ertegen te waarschuwen.

In het blad Ecclesia schreef Aalders eens een fraai artikel over ds. Doornenbal. Hij had het over een ‘onderstroom’ in de Nederlandse geschiedenis, een continuïteit met vroomheid en wijsheid uit het verleden, die zich uitte in een hang naar oprechte vroomheid, een zekere eruditie, gevoel voor stijl, en een afkeer van het modieuze: de ‘gestalte van de weduwe’ die naar huis verlangt.

Hervormd-zijn is dus een geloof, het geloof van de Reformatie, het is een bepaalde cultuur en mentaliteit, het behelst de acceptatie van begrensde verschillen, de omgang en discussie met andersdenkenden in de moderne cultuur, een ‘gezonde lijdelijkheid’, ‘bevindelijke diepte en katholieke breedte’, lijden aan de kerk, met andere woorden: een gerichtheid op heel de kerk, heel het volk en heel de cultuur.

Dat is wat een bestudering van ‘de geschiedenis van de vaderlandse kerk vanaf 1795’ onder andere oplevert.

Dr. B.J. Spruyt

 

[1] Zie P. C. Hoek, ‘Gewoon hervormd’, Zicht op de kerk XVIII-19 (23 november 2021) 4-5.

[2] Zie W. J. op ’t Hof, e.a., Belijdenis en verbond: ecclesiologie in de gereformeerde traditie (Zoetermeer, 2003).

[3] H. J. de Groot, ‘De Reorganisatie-beweging’, Ons Zondagsblad IV-27 (7 juli 1907), IV-28 (14 juli 1907), IV-29 (21 juli 1907), IV-30 (28 juli 1907).

[4] Zie b.v. H. F. Kohlbrugge, De eenige troost in leven en sterven: zes leerredenen over de eerste vraag en het eerste antwoord van den Heidelbergschen Catechismus (Amsterdam, 19333), pp. 14-15: ‘Waarom hoorde men vroeger zoveel van ware bekeringen? Van waar zijn die mensen, die enkelen nog – hun aantal wordt ook in onze gemeente steeds kleiner, de meesten hunner liggen reeds op het kerkhof – van waar die profeten en profetessen die van Gods genade en ontferming konden getuigen en wisten te zeggen: “Dit is goud en dat is valse munt?” Waren zij niet in de afgrond der verlorenheid geboren, toen zij wegzonken voor Gods Wet? Daar hapert het tegenwoordig aan. Men heeft thans geen achting meer voor Gods Wet.’

  • © hersteld hervormde kerk 2024