mannenbond

Welkom

Psalm 25 : 16-18: Wend u tot mij en wees mij genadig, want ik ben eenzaam en ellendig. De benauwdheden mijns harten hebben zich wijd uitgestrekt; voer mij uit mijn noden. Aanzie mijn ellende en mijn moeite en neem weg al mijn zonden.

Zie op mij in gunst van boven
De verzen één tot zeven vormen een gebed. Toen volgde in de verzen acht tot vijftien een getuigenis. Nu volgen in de verzen zestien tot tweeëntwintig wederom een aantal beden. Het gebedsgedeelte staat dus in het teken van de aanspraak tot God, de psalmist spreekt tot Hem. Het is steeds U en U en U. In het belijdende stuk wordt steeds over God gesproken: Hem en Hem en Hem. Nu in het gebedsstuk is het weer steeds U en U en U.  Men kan in de religie niet altijd bidden. Daar moet ook wel eens weer dat getuigende zijn, dat handelen over Hem, dat spreken over Hem. In het getuigen komen de geloofswaarheden aangaande God sterk naar voren, dat is doorgaans meer leerstellig.

In het gebed wordt meer het persoonlijke naar voren gebracht, al wat een mens is of niet is, al wat een mens heeft of niet heeft, al wat hem overkomt en alles waarin hij verkeert. Maar in zo'n gebed wordt wel al wat men van God gelooft aangewend. Een gebed is zo uitermate praktisch. Het stelt u midden in het leven van een mens en die mens staat daar met uitgestrekte handen, roepend naar omhoog. Het feit dat Psalm 25 begint met zeven gebeden en eindigt met zeven gebeden met in het midden acht verzen die belijdenissen inhouden, bewijst wel dat het gebed een heel voornaam stuk is in het leven van de christen. Het vormt daarin het begin en het einde. Inderdaad begint het geestelijk leven doorgaans met het gebed: ‘Zie, hij bidt!’ en het geestelijke leven eindigt veelal hier op aarde met een gebed: ‘Op Uwe zaligheid wacht ik, Heere’ of ook: ‘Heere Jezus, ontvang mijn geest.’

Wijlen ds. W.L. Tukker

 

  • © hersteld hervormde kerk 2017

Ontwerp en realisatie: