|
Die de valse ijdelheden onderhouden, verlaten hunlieder weldadigheid. Jona 2:8
Bidden is niet gebonden aan tijd of plaats. Dat blijkt ook in het leven van Jona. We vinden in Jona 2 een gebed, en dat is een wonder op zich. Jona is in grote benauwdheid terechtgekomen, doordat hij voor Gods roeping is weggelopen. Als een tegendraads man gaat Jona niet. Tenminste aanvankelijk niet. Maar Gods almachtige arm werpt een wind op het water en Jona wordt opgeslokt door een grote vis.
En wat hij daar wel of niet kan en wil, hij bidt tot God. Het is een gebed uit de benauwdheid. En zoals tijdens het gebed er gemeenschap geoefend kan worden met de drie-enige God, zo is dat ook bij Jona het geval. Jona zegt dat hij roept en schreit, maar ook dat God hem hoort en dat brengt hem tot lof- en dankzegging. In de grootste benauwdheid bidt Jona en de redding is nabij. Mag ik u vragen: Kent u dat in de benauwdheid roepen tot de Heere om uitkomst en genade? En de ervaring dat tijdens het gebed God hoort en van u afweet? De grootste nood en meest onmogelijke omstandigheden zijn voor Zijn ogen niet verborgen. Jona is door eigen schuld, door ongehoorzaamheid, in deze benarde situatie terechtgekomen. Ongehoorzaam, een woord dat voor het eerst in het paradijs wordt gehoord. Ongehoorzaamheid aan Gods Woord, wat een aangrijpende gevolgen heeft dat! Jona is neergedaald tot de gronden der bergen. Maar hij bidt: ‘Gij hebt mijn leven uit het verderf opgevoerd, o HEERE, mijn God!’ Hij weet dat zijn gebed voor de HEERE in de tempel van Zijn heiligheid is gekomen, juist toen zijn ziel in hem overstelpt was. Het gebed van Jona leert ons dat Jona op de juiste plaats is gebracht. Het gebed van Jona laat zien dat de HEERE weet hoe Hij met Zijn kinderen moet omgaan. Jona moest voor zijn medemensen naar Ninevé, maar hij wilde niet en komt in de nood terecht. Het verlaten van God verduistert het juiste zicht op onze medemens, dichtbij en ver weg. Vindt u het ook zo wonderlijk dat Jona in de grootste benauwdheid in de vis niet alleen aan zichzelf denkt, maar ook de goddeloze ander in het vizier krijgt? Door Gods hand is Jona in de vis terechtgekomen en daar kan hij niet meer zo hoog van de toren blazen. Door Gods oordeel over zijn ongehoorzaamheid is Jona naast de tollenaar en de heiden terechtgekomen. Met zijn haar gebonden aan het wier in de diepte van de zee krijgt hij oog voor Wie God is, voor zichzelf en voor eenieder die God niet kent. Buigend onder Gods oordeel gaat hij hen die zonder God en zonder hoop in de wereld leven, met innerlijke ontferming bewogen zien. Dat is nodig: Godskennis en zelfkennis, zo leren we zien wat er in ons hart leeft voor God. In dat opzicht is de tekst van onze overdenking geen uiting van het voorbijzien van eigen zonden en gebreken, om er bij het licht van hen ‘die de valse ijdelheden onderhouden’ goed af te komen. Nee, in het geheel van Jona’s gebed is vers 8 een ontdekking, een waarschuwing en ook een kloppend hart voor de naaste. Door de Geest van het gebed zegt Jona: ‘Die de valse ijdelheden onderhouden, verlaten hunlieder weldadigheid.’ Dat is eenieder die zijn hoop en vertrouwen stelt op van alles en nog wat, die daar voortdurend mee bezig is. Valse ijdelheden, of dat nu eigen werken, mensen of lege voorstellingen en gedachten zijn – ze zullen als een zeepbel kapot spatten. Door van alles en nog wat zal Gods volk omringd worden, ook in het leven met de Heere. Jona die gesmaakt en geproefd heeft hoe goed de Heere is, waarschuwt voor het onderhouden van valse ijdelheden. Als uw hart verbroken en door de liefde van Christus overmeesterd is, kunt u niet in die valse ijdelheden blijven leven! Waarom niet? Omdat God niet kan verdragen dat zij valse ijdelheden onderhouden, want daarmee wordt het bloed van Christus onrein geacht. Het verlaten van de weldadigheid is het gevolg. En die weldadigheid heeft God in Christus betoond. Er staat een woord dat alles met het verbond te maken heeft. Door de Verbondsmiddelaar bewijst God Zijn trouw, genade en liefde. Al heeft Jona zich schuldig gemaakt aan die valse ijdelheden, hij leert hier in het hart van de zee zich vast te klampen aan de God van het verbond, Die Zijn genade aan hem bewijst. Het dienen van de afgoden heeft ernstige gevolgen, of dat nu op zeer godsdienstige of oppervlakkige wijze gebeurt. Maar wie zich tot God wendt in het gebed, met belijdenis van zonden en schuld, en smeekt om weldadigheid, zal zeker geholpen worden, want wie Hem aanroept in de nood, die vindt Zijn gunst oneindig groot!
Ridderkerk, ds. J.A. Kloosterman |